Behoed de monarchie voor sport en popmuziek

Anders dan Beatrix profileert Willem-Alexander zich eigentijds. Einde Koningshuis, vreest Christiaan Weijts.

Foto Robin Utrecht

Al jaren is de monarchie in Nederland redelijk populair. Onbegrijpelijk voor zo’n meritocratisch en vernieuwzuchtig land als het onze, dat bovendien het schoolvak geschiedenis wil afschaffen. Nooit was de monarchie zo uit de tijd als nu. Nu zelfs het boerenbedrijf niet langer vanzelfsprekend van vader op zoon overgaat, zoals NRC onlangs berichtte, is het koningschap echt het enige beroep dat nog erfopvolging kent. En dat in een samenleving die volstrekt het tegenovergestelde nastreeft: niet je afkomst maar je verdienste telt. De verontwaardiging over de laatste restjes kansenongelijkheid groeit. Wekelijks eisen weer andere minderheden hun gelijkwaardige posities op.

In zijn recentste boek, De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd, beschrijft Peter Sloterdijk de geschiedenis van na de Franse Revolutie als eentje van ‘bastaardkinderen’ die tegenover het oude reproductiesysteem van de adel, gericht op herhaling van vaste patronen en structuren, een cultuur plaatsen van vernieuwing en verandering. De norm is dat je breekt met je voorvaderen, ‘innovatief’ bent. In onze tijd bereikte die tendens een hoogtepunt.

Het is amper meer voor te stellen, maar eeuwenlang waren de menselijke voorbeeldfuncties weggelegd voor geestelijken, wijzen en koningen. Daar wilde je op lijken. Zij belichaamden waarden als zelfbeheersing, wijsheid, rechtvaardigheid. Pas in de laatste paar seconden van de menselijke geschiedenis sloeg dat radicaal om. De idolen van nu vertegenwoordigen het exacte tegendeel: impulsiviteit, jeugd, vernieuwing, enzovoorts. De popsterren zijn de zelfgekroonde nieuwe adel van het westen. Queen, Prince, The King of Pop, The Queen of Soul: achteloos plaatsten zij de oude Europese prinsen en koningen in hun schaduw, zowel in populariteit, invloed als in inkomen.

In dat licht is het nogal vreemd dat zo’n anachronistisch instituut als de monarchie toch al jarenlang op een grote populariteit kan rekenen. Rond de 70 procent van de Nederlanders blijkt voorstander van de monarchie (bij de inhuldiging in 2013 was er zelfs een uitschieter naar 80 procent), volgens de jaarlijkse TNS NIPO-onderzoeken. En dat ondanks de steeds terugkerende discussie over de salaris-, onderhouds- en verbouwingskosten van dit archaïsche instituut, waarvan de ondoorzichtigheid meer en meer botst met de tijdgeest die transparantie eist en bonussen hekelt.

Blijkbaar is er, ondanks dit alles, iets in ons dat nog verlangt naar wat brokstukken van die oude continuïteit, de verticale lijn van historische verbondenheid door de generaties heen. Laten we wel zijn: veel meer dan het Koningshuis hebben wij wat dat betreft ook niet. In Frankrijk – al een republiek sinds 1792, zij het met wat onderbrekingen – kan de cultuur moeiteloos die verticale lijn dragen, met zijn schilders, componisten, schrijvers. De Nederlandse inbreng in de Europese cultuur is heel bescheiden geweest: een handjevol schilders, dat is alles.

Hier hebben we de neiging om alles wat een zekere eeuwigheidswaarde nastreeft te wantrouwen en uiteindelijk af te schaffen. De religie is goeddeels verdwenen zonder dat er andere rituelen voor in de plaats kwamen. En geheel in lijn met de tijdgeest adviseerde de commissie-Schnabel aan de regering om het schoolvak geschiedenis uit het vaste curriculum te schrappen. Zeker nu de buitenwereld steeds meer invloed krijgt op ons kleine landje en onze grenzen vervagen, willen we blijkbaar toch nog iets van nationale wortels blijven ervaren.

Daar komt nog iets bij. Hoe wenselijk die verschuiving ook is naar een samenleving waarin prestaties tellen in plaats van achternamen en ledenpasjes van de juiste clubjes, de schaduwkanten ervan zijn niet zondermeer weg te poetsen. In onze prestatiesamenleving moeten we onszelf voortdurend bewijzen. De zekerheid van de vaste baan is passé. Om te overleven moet je, bij elk nieuw project, ‘jezelf opnieuw uitvinden’, ‘het verschil maken’ of hoe die klunzige innovatiedogma’s ook zijn gaan luiden. Zowel privé als zakelijk beoordelen we elkaar virtueel met sterretjes, duimpjes en hartjes. We zijn de reclamebureaus geworden van onze levens. De tol voor onze meritocratie is prestatiedruk, onzekerheid, individualisme, een harde concurrentiestrijd en die curieuze nieuwigheid dat geluk en gezondheid tegenwoordig gezien worden als keuzes, waardoor degenen die niet slagen ook automatisch kneuzen zijn die het aan zichzelf te danken hebben.

De legitieme twijfels over de wereld zoals we die aan het maken zijn, zouden weleens die nostalgische hunkering kunnen verklaren. Het Koningshuis, met zijn koetsen, lakeien en paleizen, fungeert dan als theatrale compensatie, een betrekkelijk onschadelijke vorm waarin iets van de oude feodale sprookjeswereld kan voortleven. In de grote deeltjesversneller die onze samenleving is geworden, is het Koningshuis, hoe symbolisch en ceremonieel ook, een laatste anker van continuïteit en verbondenheid door de generaties heen.

Tegen die achtergrond kun je vraagtekens hebben bij de modernisering die Willem-Alexander heeft ingezet. Anders dan Beatrix, die zich nadrukkelijk profileerde als ambassadeur van de klassieke, hoge cultuur, heeft haar zoon uitsluitend belangstelling voor typische nouveau riche-dingetjes als sport, musical en popmuziek.

„Hoe dichter bij Dordt, hoe mooier…?” liet hij een menigte vorig jaar op Koningsdag scanderen. Willem-Alexander buigt mee met de innovatieve versnellingstendens, wat hem op de korte termijn allicht relatieve populariteit oplevert, maar waarmee het instituut monarchie, als een bijna mythische en tijdloze, ‘verticale’ familie, waar iedereen zijn nostalgische dromen op kan projecteren, even vergankelijk en inhoudsloos dreigt te worden als de wereld waar hij zich aan aanpast.