brieven

Dat klopt niet, Ebru

Kort na de moord op Theo van Gogh was ik aanwezig op een bijeenkomst waar ook Ebru Umar bleek te zijn. Op een gegeven moment begon ze enorm op de stad Amsterdam, waar ik toen burgemeester was, af te geven. Ik reageerde daarop met de woorden: „Maar u hóeft hier niet te wonen.”

Sindsdien ben ik haar lievelingsvijand. Niets heerlijkers dan mij, ongeveer eens per week, afzeiken. Daar is niets op tegen, het staat haar vrij.

Wat haar niet vrij staat, is in NRC van afgelopen maandag (25/4) zonder enig argument het volgende zeggen: „Dat zijn mensen (Turkse Nederlanders die blij waren met haar arrestatie in Turkije) die Nederland kapotmaken. Job Cohen zou trots op hen zijn.”

Daar is natuurlijk geen sprake van, integendeel, ik hoop dat ze snel weer in Nederland is. Vandaar mijn vraag aan haar: geef mij een snipper bewijs waarom ik daar trots op zou zijn.

Meningsuiting

Zo devalueert het

Over de kwestie Jan Böhmermann, Erdogan en Ebru Umar het volgende:

Een mening moet vrij geuit kunnen worden. Een mening stoelt op het geloof dat die mening juist is, en waar.

Belachelijk maken, als strijdmiddel tegen iemand wiens mening tegengesteld is aan de jouwe, moet kunnen, als een wapen. Maar het moet in dienst staan van een mening. Op zichzelf is het geen meningsuiting.

Schelden, lasteren, beledigen, belachelijk maken, zonder dat er sprake is van een mening, mag dus niet verdedigd worden met beroep op het recht van vrije meningsuiting. Te meer niet als het onwaar is.

Het uiten van woede, haat, frustratie, gelijkstellen aan het uiten van een mening, devalueert het kostbare recht op vrije meningsuiting.

C. Verheul, Den Haag