Schuld heet in de Chinese media opeens ‘sociale financiering’

China heeft een schuld van 247 procent van het bruto binnen-lands product: slechter dan Griekenland. Toch lijken de zorgen over dat cijfer gering.

Illustratie Studio NRC

Net zomin als de keizers die met een Hemels Mandaat het Land van het Midden bestierden, trekken Chinese leiders zich weinig aan van economische wetten. Geld moet rollen om doelen te bereiken, ook al stijgen de totale schulden tot het record van 247 procent van het bruto binnenlands product. Om minder brak in Europa de Griekse schuldencrisis uit.

Het totaal aan uitstaande leningen van de staat, de staatsbedrijven, het particuliere bedrijfsleven en de burgers is het afgelopen kwartaal gestegen naar omgerekend 23.692 miljard euro en daarmee voert China op verkeerde wijze een lijst aan.

Behalve buitenlandse economen en speculanten als George Soros lijken weinig Chinezen zich zorgen te maken, en de leiders van de Communistische Partij al helemaal niet.

Soros hoopt op een financiële crisis en wordt dus in de media weggezet als een ordinaire kapitalistische geldwolf, die niets begrijpt van de Chinese Droom van partijleider en president Xi Jinping. In economische termen vertaald wil Xi van China in 2020 een „gematigd welvarende natie” maken, in het partijjargon: xiaokangshehui. Dat betekent concreet, heeft hij althans beloofd, dat de inkomens per hoofd zullen verdubbelen van gemiddeld 6.500 euro in 2015 naar ongeveer 12.000 euro in 2020.

De in omvang tweede economie van de wereld moet hiertoe de komende jaren heel stevig blijven groeien, minimaal met 6,5 procent per jaar. Tegen deze achtergrond is duidelijk waarom het saneren van schulden geen prioriteit heeft: er staan te grote politieke belangen, zoals het aanzien van Xi en de partij, op het spel om krenten te wegen.

Tekenend is dat in de media de term „schulden” steeds vaker wordt vervangen door de uitdrukking „sociale financiering”, afgekort SF. Dus niet zeggen: de Chinese schulden zijn opgelopen tot 247 procent van het bbp, maar „de totale sociale financiering bedraagt...”

Onder deze post vallen niet alleen de investeringen in nieuwe vliegvelden, wegen, steden en havens, maar ook de sanering van oude staal- en steenkoolindustrieën. Net als de kosten van de overgang naar een nieuwe, moderne diensteneconomie.

‘Sociale financiering’ omvat ook de opbouw van pensioen- en zorgstelsels, de bouw van 36 miljoen sociale woningen, de verhuizing van honderdduizenden afgedankte staalarbeiders naar kansrijker oorden en de complete vernieuwing van – om te beginnen – het rioleringsstelsel van Shanghai. Dit jaar stijgt de ‘sociale financiering’ met 11 procent.

Afgezien van speculanten en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) hebben de meeste economen wel een beetje begrip voor de ogenschijnlijke Chinese nonchalance rond schulden. De binnen- en buitenlandse investeringen (in totaal 44 procent van het bbp) blijven toestromen, er is een overschot op de lopende rekening, de vastgoedsector herstelt zich en de voorraad buitenlandse deviezen – circa 3.200 miljard euro – is indrukwekkend. Daar komt bij dat de bevolking doorgaat met sparen. De meeste economen zijn het er over eens dat macro-economisch gezien China het zich nu nog wel kan permitteren.

China is geen Griekenland; de Griekse economie is niet groter dan die van een vierderangs stad in een arme Chinese provincie. Maar doorslaggevender is dat China geen schulden heeft aan buitenlandse banken en regeringen, zoals wel het geval is in Griekenland. Het verhaal van de Chinese schulden is in de kern een verhaal over het ‘rode kapitalisme’, een min of meer gesloten financieel systeem dat parallel aan het westerse financiële systeem functioneert. De vergelijking met de tweedeling van het mondiale internet gaat hier op: er is grofweg het Anglo-Amerikaanse internet en het Chinese internet en daar staat een grote muur tussen.

Verreweg de meeste Chinese schulden zijn leningen van staatsbanken aan staatsbedrijven – dus het blijft allemaal in de familie die de achternaam Partij draagt. Waarmee niet is gezegd dat het management van de economie prijzenswaardig is. Er is enorme verspilling om maar hoge groeicijfers te kunnen noteren, de schuldenberg vertraagt de groei en hangt de bedrijven als een loden last om de nek, investeringen in nieuwe projecten verlopen steeds moeizamer. En er komt een moment dat de besparingen afnemen als gevolg van beleidsveranderingen en vergrijzing.

Het aantal slechte leningen bedreigt op termijn het bankenstelsel. Aan sanering wordt nu nog heel weinig gedaan en dat zal komend decennium ook niet gebeuren, maar er komt een moment dat de staat moet dokken. „They kick the can with debts down the road”, zei een Amerikaanse econoom onlangs. Het punt is dat de Chinese wegen eindeloos lang zijn.