Nucleair ontwapenen? Zorg eerst dat je de feiten kent

Het debat over nucleaire ontwapening wordt gedomineerd door misvattingen. Donderdag spreekt de Kamer erover. Elmar Hellendoorn pleit voor realisme en feitenkennis.

Demonstratie tegen Amerikaanse kruisraketten in Nederland, op het Museumplein in Amsterdam (1981). Foto Rob Huibers/HH

Gebrek aan nucleair-strategische kennis is een ernstige zaak. Verkeerd geïnformeerde standpunten kunnen leiden tot een ondermijning van de Nederlandse en westerse positie. Nederlandse politici en burgers moeten zich daarom beter informeren over nucleair beleid. Als het over kernwapens gaat, dienen de feiten voorop te staan.

Feitelijke kennis over kernwapens kan ontstaan doordat er steeds meer transparantie is over onze nucleaire geschiedenis. Die transparantie is van nut voor hedendaags kernwapenbeleid. Lang bleven de archieven gesloten, maar steeds meer historische archieven zijn toegankelijk, in binnen- en buitenland. Mits er voldoende onderzoeksmiddelen beschikbaar zijn, kunnen we daardoor onze nucleaire geschiedenis goed in kaart brengen.

Gewapend met een beter begrip van historische nucleaire dynamieken kunnen we nu en in de toekomst zorgvuldiger keuzes maken over kernwapens.

Een eerste belangrijke misvatting is dat Kamerleden niet zouden zijn geïnformeerd over de plaatsing van Amerikaanse kernwapens op Nederland grondgebied. Maar in 1960, toen de eerste Amerikaanse wapens arriveerden, sprak de toenmalige minister van Defensie Visser met Kamerleden daar wel over in de vertrouwelijke, maar informele, Staatscommissie Defensie. Later, in 1970, sprak Vissers opvolger Den Toom openlijk met het parlement over de nucleaire strategie van de NAVO. Daarbij lichtte Den Toom toe dat de Verenigde Staten de controle hielden over de kernwapens op Nederlands grondgebied. Weliswaar blijven de huidige aantallen en locaties van die kernwapens geheim, maar de oorsprong van de huidige situatie is – grotendeels – openbaar.

Een tweede bewering die niet klopt, is dat de plaatsing van Amerikaanse kernwapens op Nederlands en Europees grondgebied illegaal zou zijn onder het Non-proliferatieverdrag van 1968. Dit verdrag is erop gericht om de verdere verspreiding van kernwapens te voorkomen. Het verbiedt alleen de overdracht van controle over kernwapens in vredestijd.

In 1967 hebben de Verenigde Staten dan ook een verklaring afgegeven aan de NAVO-bondgenoten dat het Non-proliferatieverdrag niet ging over de bestaande nuclear sharing-overeenkomsten. Voor veel Europese NAVO-bondgenoten was het voortbestaan van nuclear sharing dan ook een (pre-)conditie voor ondertekening van het Non-proliferatieverdrag.

Een derde punt dat zeer discutabel is, is dat het Non-proliferatieverdrag de kernwapenstaten zou verplichten tot ontwapening. Het verdrag (artikel VI) draagt die staten alleen op om over kernontwapening te onderhandelen. Vanuit die opdracht om te onderhandelen zou een ontwapeningsverplichting zijn gegroeid; een ‘norm’ in het jargon. Die eventuele norm is echter nooit bekrachtigd. Er is dus geen juridische verplichting tot ontwapening.

Ten vierde wordt vaak vergeten dat ontwapening kan leiden tot bewapening. De Europese onderhandelaars van het Non-proliferatieverdrag eisten dat een ontsnappingsclausule in het verdrag werd opgenomen. Zij hielden rekening met het risico dat de VS niet altijd voor de nucleaire bescherming van Europa zou zorgen. Ook vreesden zij dat de Amerikaanse kernwapens van Europees grondgebied zouden worden verwijderd in geval van een Amerikaans-Russisch nucleair ontwapeningsakkoord. Dat zou Europa weerloos laten tegenover de Russische dreiging.

Landen kunnen zich dus terugtrekken uit het Non-proliferatieverdrag. Eenmaal buiten het verdrag heeft elke staat het soevereine recht om kernwapens te ontwikkelen. Dit is actueel: de Oost-Europese NAVO-bondgenoten voelen zich ernstig bedreigd door Rusland en zij twijfelen soms aan de Amerikaanse nucleaire garanties.

Toch pleiten sommigen voor het beëindigen van de stationering van Amerikaanse kernwapens op Europees grondgebied. Zo’n nucleaire ontwapening zou ertoe kunnen leiden dat landen die zich door Rusland bedreigd voelen, overwegen om zich terug te trekken uit het Non-proliferatieverdrag. Nucleaire ontwapening kan het Non-proliferatieverdrag nu dus ernstig onder druk zetten.

Ten vijfde wordt soms onterecht betoogd dat Nederland zich niet serieus inzet voor ontwapening. Minister Koenders hamert binnen de NAVO op het belang van ontwapening. Nederland lijkt daarin alleen te staan. Men kan zich in het licht van de huidige geopolitieke situatie afvragen hoe realistisch en verstandig Koenders’ ontwapeningspolitiek is. Maar het is lastig vol te houden dat Nederlandse diplomaten zich niet hard inspannen om de ontwapeningsdiscussie binnen de NAVO gaande te houden.

Het Non-proliferatieverdrag is gebouwd op een geloofwaardige afschrikkingsstrategie van de NAVO. Geopolitieke en militaire ontwikkelingen bepalen in grote mate de kans op nucleaire ontwapening. Hoewel een overeenkomst zoals het Non-proliferatieverdrag van belang is, geven veiligheidspolitieke overwegingen en de dynamiek die daarmee gepaard gaat uiteindelijk de doorslag bij nucleaire ontwapening en bewapening. Door serieus internationaal historisch onderzoek krijgen we steeds beter zicht op onze complexe nucleaire geschiedenis, die lang geheim bleef. We moeten in strategische kennis investeren om ervoor te zorgen dat we op een veilige en effectieve manier het ideaal van een kernwapenvrije wereld kunnen nastreven. Misplaatste keuzes zouden wel eens tot het tegenovergestelde resultaat kunnen leiden. We kunnen voorkomen dat onze grootste nucleaire angsten realiteit worden door historisch realisme te omarmen.