Menseneter

Voor de tentoonstelling ‘Afrika 010’ selecteerde het Wereldmuseum de meest opmerkelijke stukken uit de bijzondere Afrikacollectie. De schedel van een Nijlkrokodil (Crocodylus niloticus) haalde de expositie niet maar krijgt een tijdelijke ereplaats in het Natuurhistorisch Museum, in de vitrine vol dode dieren met een verhaal.

Het reptiel werd omstreeks 1910 geschoten wegens ‘onbehoorlijkheden jegens vele inlanders’ langs de Zambezi in Mozambique.

De schutter, Rudolph Willem Vroon (1865-1935), schonk behalve de schedel ook de maaginhoud aan het toenmalige Museum voor Land- en Volkenkunde: 42 metalen polsbanden, twee halssnoeren en een ring.

Het aftandse gebit en de onverteerbare sieraden vormen het bewijs dat de krokodil een oude menseneter was. Met een diameter van 41 tot 65 millimeter (gemiddeld 53,6) geven de polsbanden een mooi beeld van de prooigrootte.

Zelfs mijn magere handen zijn te breed voor de grootste polsbanden en mijn kinderen (meisjes van 5 en 8) die ik ten behoeve van dit stukje even met de sieraden liet spelen, pasten slechts de exemplaren groter dan vijf centimeter.

Op basis van de maaginhoud en bij één polsband per arm verslond de krokodil tenminste zes peuters of kleuters. Of de kleinste polsbandjes moeten oorbellen geweest zijn.