Die infiltratie was onethisch en onnodig, meneer Zeegers

Door hen undercover te bestuderen, bestempel je moslims als exotische soort, stelt Anna Krijger.

Illustratie Angel Boligan

In NRC van zaterdag 23 april las ik een interview met arabist en auteur Maarten Zeegers (‘Leuk dat je in de moskee bent!’). Eerder die week was hij ook te zien in het tv-programma Pauw. Beide keren sprak Zeegers over zijn nieuwe boek Ik was een van hen – Drie jaar undercover onder moslims.

Hij vertelde dat het maar niet lukte om vat te krijgen op de gesloten moslimgemeenschap in de Haagse Transvaalbuurt waarin hij was komen te wonen. En omdat hij ze toch beter wilde begrijpen, had hij naar eigen zeggen „geen andere keus” dan zich drie jaar lang voor te doen als moslim.

Ik moest denken aan de Nederlandse arabist en islamoloog Christiaan Snouck Hurgronje, die in 1885 deed alsof hij moslim was om naar Mekka af te kunnen reizen en aan de islamitische bedevaart te kunnen deelnemen. (Dat was bepaald geen sinecure; hij moest er zelfs zijn voorhuid voor opgeven). Terug in Nederland bracht hij vervolgens uitgebreid verslag uit over de moslims en hun hadj. Het is een manier van onderzoek bedrijven die we inmiddels vooral als oriëntalistisch en onethisch beschouwen.

In beide interviews met Zeegers miste ik verontwaardiging bij de interviewer over de methode die hij heeft toegepast om de „moslims van het Nederlandse Molenbeek” te kunnen bestuderen.

Als journalist dien je met open vizier te werk te gaan. De ondervraagde, die in veel gevallen privé-informatie met de journalist deelt, heeft het recht om te weten met wie hij of zij te maken heeft. Natuurlijk zijn er wel situaties te bedenken waarin het gerechtvaardigd is om terug te grijpen op de undercoverjournalistiek. Bijvoorbeeld wanneer er misstanden, wetsovertredingen of mensenrechtenschendingen aan het licht moeten worden gebracht. Maar was dat hier het geval?

Salafistische imams zien het martelaarschap als de sleutel van het paradijs, ze moedigen jongeren aan om niet naar muziek te luisteren en orthodoxe moslims eten geen tompoezen omdat er varkensgelatine in verwerkt is.

Het zijn enkele van de observaties die Zeegers als moslim in de Transvaalbuurt heeft opgedaan. Ze zijn zeker interessant, als ze al niet bij velen bekend zijn. Hoe dan ook: het zijn bepaald geen misdrijven. Het publiceren van dit soort anekdotes dient dan ook geen groot publiek belang.

Hoe kun je infiltratie, het zwaarste middel dat een journalist tot zijn beschikking heeft, dan verantwoorden? Is het doel van het verkopen van je boek dan voldoende om de middelen te heiligen?

Eén van de belangrijkste conclusies die Zeegers na zijn leven als moslim heeft kunnen trekken, is dat er een groot wantrouwen bestaat onder de islamitische bewoners van de Transvaalwijk tegenover buitenstaanders. Het lijkt me dat er geen jarenlang undercoveronderzoek voor nodig is om dit aan te tonen.

Sterker nog, de auteur heeft nu juist bijgedragen aan dat wantrouwen door onder valse voorwendselen vriendschappelijk om te gaan met deze mensen. Ik kan me zo voorstellen dat ze zich flink belazerd voelen.

De undercovermethode van Zeegers is tekenend voor de manier waarop er in Nederland over moslims wordt gedacht en gesproken. Ze horen er niet helemaal bij, ze zijn nog niet een van ons.

Maarten Zeegers was wel even ‘een van hen’, maar dat was dus toneelspel. Net als Snouck Hurgronje zette hij zijn kennis van het Arabisch en de islam in om moslims om de tuin te leiden. Zo veel is er blijkbaar ook weer niet veranderd. Moslims zijn nog steeds de exotische, mysterieuze soort die wij door niet-moslims geduid willen zien.