De nieuwe Barenboim-vleugel verdient een betere pianist

Daniel Barenboim Foto AFP / ADRIAN DENNIS

De avond had een historische willen zijn. Muzieklegende Daniel Barenboim was na vijf jaar weer in Nederland, en presenteerde een gloednieuwe uitvinding: de Barenboim-Maene-concertvleugel. Het instrument combineert in theorie het beste van twee werelden. De negentiende-eeuwse techniek van parallelle in plaats van gekruiste snaren is geplaatst in de moderne behuizing van een Steinway. Het doel: terug naar de kleurrijke registerwisselingen van de fortepiano, maar met behoud van de kracht van een moderne vleugel.

Dat het lage register van de Barenboim-vleugel verbluffende resonanties voortbrengt, werd in Liszts Funérailles overtuigend aangetoond. Helder ronkende doodsklokken zwollen aan tot een zondvloed. Maar diezelfde geëmancipeerde bassen waren ook storend dominant in de Variaties in c klein van Beethoven en de Sonate D.958 van Schubert. Hogere loopjes werden regelmatig overvleugeld en verdwenen in een klanksoep.

Ontwerpfout? Het kan net zo goed het onvermogen zijn van de pianist van dienst. Barenboim is een briljant dirigent, die de laatste decennia weinig tijd voor etudes lijkt te hebben. In rustiger passages toont hij weliswaar groot inzicht in harmonische structuren en weet hij een mooie middenweg te vinden tussen retorisch spreken en voluit zingen. Maar voortdurend overstemmen zijn technische gebreken de hogere bedoelingen.

Het perpetuum mobile in de finale van de Schubertsonate wankelde, climaxen in Chopins Eerste ballade werden slecht voorbereid, door Liszts Eerste Mephisto-wals wist Barenboim zich ternauwernood heen te bluffen. Soms, zoals in twee ingetogen Chopin-toegiften, liet hij een intrigerend timbre horen dat excentrieker lijkt dan de homogene Steinway. Maar voor een echte waardering van de Barenboim-vleugel is een betere pianist noodzakelijk.