‘Ze denken dat we dom en schuw zijn’

Reinier Artist (80) groeide op in de jungle van Suriname, in lendedoeken, tot Nederlandse paters hem naar school lieten gaan. Zijn Indiaanse waarden nam hij mee naar Nederland en weer terug.

Reinier Artist is 80 maar heeft nog altijd sterke armen en stevige schouders. Dat is het resultaat van het vele pagaaien in een korjaal, een boomstamkano, en veelvuldig gebruik van pijl en boog in zijn jeugd. Hij was nauwelijks tien jaar toen zijn vader hem meenam diep in het Surinaamse oerwoud om hem de fijne kneepjes van de jacht en de geheimen van het bos te leren. Jagen deden ze met een groep uit het dorp, vader, neven, ooms. Want Indianen doen veel samen. Allemaal gekleed in lendedoeken.

Reinier Artist vertelt op kalme toon hoe ze leerden het bos te verkennen. Waar je pingo’s (bosvarkens), herten, konijnen, soms een jaguar, kon vinden. Hoe de ouderen precies wisten op welke planten en vruchten de dieren afkwamen. En waar gevaarlijke spinnen, mieren en slangen voorkwamen. En ze legden uit in welke seizoenen je wel en niet op bepaalde dieren moest jagen, zodat het natuurlijk evenwicht werd bewaard. „Dat vond ik ook zo knap”, zegt de oude Indiaan – hij noemt zich Indiaan. Hij gebruikt vaker het woord ‘knap’ of ‘kundig’ wanneer hij vertelt over het volk van de Surinaamse Caraïben waartoe hij behoort. Zijn donkere ogen staan dan wat feller.

Hij leerde niet alleen jagen maar ook vissen met pijl en boog. De namen van de zwampvissen waarop hij zijn pijlen afschoot, somt hij zo op: djaki, logologo, walapa, krobia, pataka. De oudere mannen visten – in door hen afgedamde kreken – ook met behulp van gif uit plantenextracten, zoals die van de nekoe-lianen. „Maar altijd zeer zorgvuldig met een hoeveelheid die net genoeg was om de vissen te bedwelmen”, vertelt hij. „Dat vond ik zo knap van onze Indianen. Ze wisten dat precies.” Ook werden wel fuiken gebruikt.

Iedere dag in Bigi Poika begon met baden in de Akaranikreek – een kleine zijtak van de Saramaccarivier. De Caraïben van Bigi Poika waren op zichzelf aangewezen. Het dorp was slechts per boot te bereiken. Reinier Artist haalt er een oud fotoalbum bij met een foto van zijn moeder. Zittend op een krukje weeft ze een hangmat op een houten weefgetouw. Zijn zusje houdt de klosjes met gesponnen katoen vast. Die katoen verbouwden de Caraïben op hun kostgrondjes. Landbouw was het werk van de Indiaanse vrouwen. Van de cassave bakten ze cassavebrood, hun dagelijks voedsel. Ontginnen van nieuwe kostgronden was voor de mannen.

Loekoe, den ingi e denki dati den de na busi”, ofwel: „Kijk, die Indianen denken dat ze nog in het bos zijn.” Dat riepen stadsbewoners als de familie van Reinier Artist in de jaren veertig van de vorige eeuw blootsvoets en achter elkaar – zoals ze in het bos gewend waren – op straat in Paramaribo liep. Contacten met de blanke samenleving waren spaarzaam. Indianen uit Bigi Poika kwamen maar sporadisch naar de stad.

Dat gebeurde wanneer ze boomstammen bij de concessiehouders, die de kaprechten hadden, gingen afleveren. De Indianen bonden de stammen bij elkaar tot vlotten, waaraan ze hun korjalen vastmaakten. Op de vlotten maakten ze hutten waar ze hun hangmatten konden ophangen. Ze lieten zich dan met de ebstroom op de Saramaccarivier meevoeren naar de kust. Stroomafwaarts verdween de stilte van het bos. Er waren markten met vooral Hindostanen die er hun groenten en vruchten verkochten. En zagerijen – in bezit van blanken, Creolen of Hindostanen. Soms voeren de vlotten via het Saramaccakanaal tot aan Paramaribo. Hardhout was gevraagd in de stad, vooral voor huizenbouw.

De contacten met blanke kolonisten, en andere bevolkingsgroepen, waren vaak onaangenaam. De concessiehouders en eigenaren van zagerijen vonden het maar niks dat de Indianen alleen bij aflopend tij met hun boomstamvlotten voeren. Dat was tijdverlies. „Die ondernemers begrepen ons niet zo goed. Ze dachten dat we dat voor ons plezier deden”, glimlacht Reinier Artist. Het ging de Indianen er niet zozeer om dat stroomafwaarts varen bij oplopend tij moeizamer ging. Het is hoe de Indiaan met de natuur omgaat. Wijze Indianen – zoals piaimannen of sjamanen die contacten met de vele geesten onderhielden – hadden eigen kennis van eb en vloed. „Zo werden de waterwegen met religie verbonden”, legt Reinier Artist uit.

‘Reclame, kranten, mensen die lazen. Dat wilde ik ook leren’

Concessiehouders, die opereerden in bosgebied dat de Indianen al eeuwen als van hen beschouwden, probeerden bovendien te weinig te betalen voor afgeleverd hout en andere bosproducten zoals balata van de rubberbomen. De veelal analfabete Indianen hadden dat vaak niet door. De kleine Reinier wel. Hij zorgde ervoor dat zijn familie het juiste bedrag kreeg: „Ik kon al goed rekenen met de voeten en duimen waarin het hout werd gemeten.”

Zo leidde Reinier Artist zijn leven zoals de Indianen dat al eeuwenlang voor hem hadden gedaan. Tot 1950. Hij had net de mierenproef – gevlochten matjes met daarin giftige mieren worden dan op de huid van de jongeling gelegd – doorstaan als eerste stadium naar volwassenheid. Toen ging hij naar Paramaribo om beter onderwijs te krijgen. Dat deed hij na advies aan zijn ouders van een van de vele Nederlandse paters Redemptoristen in Suriname, die in Reinier een heel slimme jongen zag. Wat Reinier vooral interesseerde was „de hoeveelheid geschreven dingen die je er tegenkwam. Reclame, kranten, mensen die lazen. Dat wilde ik ook leren. Ik was gewend dingen alleen te horen. Wat me bovendien intrigeerde was het feit dat kinderen in de stad van mijn leeftijd vlot konden lezen.”

Later ging Reinier Artist in Nederland studeren aan de Tropische Landbouwschool in Deventer. Hij wilde na terugkeer in Suriname landbouwprojecten voor Indianen opzetten, maar de regering stuurde hem naar Nickerie voor de rijstbouw in de polders. „Indianen waren voor de Surinaamse politici niet interessant”, zegt hij. Teleurgesteld ging hij terug naar Nederland om in Nijmegen culturele antropologie te studeren. Bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 vestigde hij zich weer in zijn geboorteland. Een aanbod om docent aan de Nijmeegse universiteit te worden, wees hij af. Want nu kreeg Artist wel de kans om voor de Surinaamse Indianen te gaan werken. Met behulp van Nederlandse ngo’s en hulpgeld zette hij voor hen onderwijs-, landbouw- en medische projecten op. In de jaren negentig was hij betrokken bij vredesbesprekingen in Suriname. Toenmalig legerleider (nu president) Desi Bouterse maakte volgens Artist handig gebruik van onwetende Indianen om in de binnenlandse oorlog met Ronnie Brunswijk de burgerregering te ondermijnen door gewapende strijd.

En nu ligt er dan zijn boek Indiaans verhaal, in de schaduw van twee beschavingen. Op de vraag waarom hij dat schreef, antwoordt hij bedachtzaam – alsof hij spreekt in een vergadering van Indiaanse dorpshoofden. „Na diep beraad besloot ik als Indiaan uit die samenleving, me bewust geworden van mijn maatschappelijke verantwoordelijkheid, dat wij eens zelf ons verhaal moesten komen vertellen”, zegt hij in zijn rijtjeshuis in Oegstgeest. „Want in de westerse samenleving bestaan merkwaardige opvattingen over Indianen. Over onze leefwijze, over hoe we denken. Dat we dom zijn, dat we schuw zijn, allemaal negatieve dingen.”

Glimlachend vertelt hij over een examen bij professor J.A.F Wils eind jaren zestig – destijds een autoriteit in de algemene taalwetenschappen „Die zei: ‘zo daar zit je dan, mijn vriend, in het universiteitsgebouw, na het traject dat je hebt afgelegd, tegenover mij om van ons te horen hoe het zit’. Die opmerking vatte ik op als: ik zal je het wel vertellen. Ik heb hem vriendelijk van repliek gediend toen hij mij een vraag stelde. Ik zei: ‘ik wil deze vraag beantwoorden mits u er rekening mee houdt dat ik zelf afkomstig ben van de Caraïbische samenleving en de Caraïbische taal volledig beheers en durf te stellen dat ik dankzij de Caraïbische cultuur, traditie, en de wetenschap tegenover u zit’.” Maar zijn boek is ook bedoeld voor de Indianen „om hun duidelijk te maken welke ontwikkeling ik heb doorgemaakt en hoe wij door de westerse samenleving zijn bejegend”.

Wat het wezen van de Indiaan is? „Dat de Indianen een egalitaire samenleving hebben is de essentie”, zegt Reinier Artist. „De Indiaanse samenleving heeft zich zodanig georganiseerd, uitgaande van het geloof en de overtuiging dat de schepping, de natuur, van ons allemaal is. Wij kunnen daar tijdelijk aanwezig zijn. En die tijdelijkheid als mens wordt alleen zinvol gemaakt door collectief te blijven. Ze zoeken niet naar individueel bezit.” Het hele Indiaanse volk ziet zich als collectief. En dat kan botsen met de westerse samenleving want die „is gericht op bezit en op zoveel mogelijk te hebben. Als iets opraakt dan haalt men het verderop. Dat heeft ons veel pijn gedaan”.

Dat wil niet zeggen dat Indianen en westerse mensen niet zouden kunnen samenleven. „Probeer niet die ander op jou te doen lijken. Dan kun je jezelf met de ander verbonden voelen”, is de les van Reinier Artist. Dat het soms misloopt – zoals onlangs op dramatische wijze met een zelfmoordgolf onder een groep Canadese Indianen – komt volgens hem doordat de rest van de samenleving deze mensen niet „de ruimte geeft zichzelf te zijn en tegelijk zoveel mogelijk te participeren”. Hoe het kan, laten volgens Reinier Artist Surinaamse Indianen zien, die vrijwel allemaal katholiek zijn, maar die evengoed hun eigen geestenwereld niet verloochenen.

Op het visitekaartje van de 80-jarige Caraïbische Indiaan staat nog steeds: Consultancybureau Artist, drs. ing. A.R. Artist, directeur. „Ik heb nog een missie”, glimlacht hij.