Het gevaar van de Brusselse schoolbanken

Reportage Belgisch onderwijs De meeste Syriëgangers komen uit de Brusselse wijk Molenbeek. Het probleem is dat het onderwijs in dit soort wijken de ongelijkheid niet verkleint, maar vergroot.

Scholieren komen aan op Serge Creuz nadat de school korte tijd was gesloten wegens de verhoogde terreurdreiging na de aanslagen in Parijs. Foto Philip Reynaers/Photo News/HH

Toen hij na de aanslagen in Parijs het gezicht van Saleh Abdeslam in het nieuws voorbij zag komen, zonk de moed Etiënne Chanson (53) in de schoenen. Ook dat nog. Al jaren werkt hij op het Koninklijke Atheneum Serge Creuz, een basis- en middelbare school in de Brusselse wijk Molenbeek. Als leraar, afdelingshoofd. Een jaar geleden begon hij als directeur, op exact dezelfde dag dat terroristen een bloedbad aanrichtten bij Charlie Hebdo. Een wreed toeval, natuurlijk. Maar toch.

Foto Philip Reynaers /Photo News/HH

Foto Philip Reynaers /Photo News/HH

En toen was daar in november opeens zijn oud-leerling in alle media. Saleh, een jongen die op school liever in Lacoste-polo’s rondliep dan de trainingspakken die zijn klasgenoten verkozen. Een notoire laatkomer. Ook toen al geen lieverdje. Maar religieus? „Il s’en foutait plutôt”, het kon hem eerder niets schelen, zegt Chanson gepijnigd. Ergens had hij het wel zien aankomen, Salehs naam in het nieuws. Iets met drugs, een overval misschien. „Dit nooit.”

De recente aanslagen in Brussel maken opnieuw pijnlijk duidelijk dat radicaliserende moslimjongeren een serieus probleem vormen in België. Per hoofd van de bevolking vertrokken er nergens anders zoveel jongens naar Syrië; alleen al uit Brussel zo’n 150. Gewezen wordt naar de falende politiediensten, de onbestuurbaarheid van een land met drie gemeenschappen, een stad met 19 burgemeesters. Allemaal waar, zeggen experts. Maar wie wil begrijpen waarom ronselaars jongens als Abdeslam voor ‘hun strijd’ weten te winnen, moet beginnen in de schoolbanken.

„Het probleem met ons onderwijs is dat het ongelijkheid niet verkleint, maar juist vergroot”, zegt Didier Gosuin, de Brusselse minister van Werkgelegenheid. In weinig Europese landen is de kloof tussen de best en slechtst presterende scholen zo groot als in België, blijkt uit cijfers van de OESO. Vooral in Brussel. Hoe komt dat?

Geografie, om te beginnen. „In Brussel is er een sterke ruimtelijke segregatie, zowel sociaal-economisch als etnisch”, zegt Dirk van Damme, onderwijsdeskundige bij de OESO. Het woord ‘getto’ neemt hij niet graag in de mond, maar toch; Brussel kent er meerdere, zegt hij. Quartiers chauds worden ze genoemd; wijken in ‘de arme banaan’ met een hoge concentratie migranten. Uit Marokko, Turkije. Van Damme:

„Welgestelde, blanke ouders sturen hun kinderen liever naar witte scholen elders in de stad.”

Naamloos

Veelzeggend is de schaal die het ministerie van Onderwijs van de Franstalige Gemeenschap hanteert voor subsidies. Op basis van de sociaal-economische achtergrond van hun leerlingen kunnen scholen een 1 tot en met een 20 ‘scoren’, waarbij 1 staat voor een concentratieschool en 20 voor een school met welgestelde, autochtone leerlingen. In Brussel scoort ruim de helft een 1 tot 5. Pak je de kaart van de stad erbij, dan zie je een wolk van bijbehorende rode stippen, dwars door de arme banaan.

Pasen zegt ze weinig

Serge Creuz is er zo eentje. Of beter gezegd: een 1. Ruim 80 procent van zijn ruim 1.600 leerlingen is van Marokkaanse origine, zegt directeur Chanson. Hij zit aan een lange tafel in zijn kantoor – spijkerbroek, mouwen opgerold, heldere blauwe ogen – in een verder uitgestorven school. Het is nog Paasvakantie, of ‘voorjaarsvakantie’ zoals ze het noemen. „Pasen zegt onze leerlingen weinig.” De voertaal is hier Frans, zoals op de meeste scholen in Brussel.

Hoewel het kwaliteitsverschil in het Vlaamse onderwijs (nog) groter is, heeft vooral het Franstalige onderwijs een slechte reputatie. Een deel van de verklaring is dat kinderen met een migrantenachtergrond vaak alleen Frans spreken en daarom eerder naar een Franstalige school gaan. Neemt niet weg dat velen ook dáár kampen met een taalachterstand, zegt Chanson.

„Op school spreken ze Frans, maar thuis of op straat gaan ze over op het Arabisch of Berbers. Daardoor missen ze de finesse.”

Terwijl taal volgens hem zo’n belangrijk instrument is. Zeker in een stad als Brussel, waar tweetaligheid je kansen op de arbeidsmarkt vergroot. Het maakt dat Nederlandstalige scholen, nog geen 20 procent van het totale aanbod, erg populair zijn. Ook onder de tweede generatie migranten, die hopen dat hun kinderen daar meer kansen krijgen. Gemakkelijk is dat niet, blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Brussel. Daarin spreken de onderzoekers van een situatie die ze „bijna sociale én etnische scholingsapartheid moeten noemen”.

Naar kwaliteitsscholen voor iedereen

Die selectie aan de deur wordt geholpen door nog een kenmerk van het Belgische onderwijs; het onderscheid tussen algemeen-, technisch- en beroepsonderwijs op de middelbare school. Daarbij geldt, grof gezegd, dat de beste leerlingen naar het algemeen onderwijs gaan en de meer praktisch ingestelde leerlingen naar het technisch onderwijs. Alles wat ‘overblijft’ komt in het beroepsonderwijs terecht.

Dat is althans de reputatie, zegt Christian Wyns, jarenlang directeur van een katholieke school in Anderlecht. Proportioneel veel migrantenkinderen eindigen in het technisch- en beroepsonderwijs. Op advies van hun leraar of als gevolg van drempels die scholen opwerpen. Wyns: „Door de taalbarrière en een gebrek aan ondersteuning thuis kunnen deze jongeren vaak niet meekomen. Met als gevolg dat ze worden doorverwezen. Of ze blijven zitten.” Alleen: in België betekent zittenblijven vaak alsnog van school veranderen.

Vandaar het imago van het beroepsonderwijs als écoles poubelles; daar waar het ‘laagste van het laagste’ terechtkomt. Dat juist dit de scholen zijn waar jonge, onervaren leraren worden geplaatst, helpt niet. „Het is een pervers systeem”, zegt Van Damme van de OESO. „De ervaren leraren vluchten naar de comfortabele, goede scholen. Wie net begint, staat onderaan in de hiërarchie.” Lang houden de meesten het niet vol.

De gevolgen zijn problematisch, zegt de Brusselse minister van Werkgelegenheid Gosuin. „40 procent van de leerlingen op het technisch en beroepsonderwijs vertrekt momenteel zonder diploma. Zij zijn kansloos op de arbeidsmarkt.” Te meer voor wie Bilal of Salima heet. Gosuin:

„Mensen nemen sneller een Belg aan dan een Marokkaanse Belg.”

Vicieuze cirkel

Voor kinderen uit de arme banaan, waar een op de drie mensen van een uitkering leeft en de jeugdwerkloosheid rond de 40 procent schommelt, is het moeilijk uit die vicieuze cirkel te breken. School doet hen niet meer dromen, zegt Gosuin. Precies daar schuilt het gevaar. „Een samenleving die jongeren geen hoop biedt, schept ruimte voor radicalisme.”

Het zijn statistieken waar schooldirecteur Chanson dagelijks tegen vecht. Hoe vaak een leerling wel niet verzucht, ‘Meneer, wat heeft het voor zin. Ik krijg toch nooit een baan’. Discriminatie is een feit, dat weet ook hij. „Maar ze gebruiken het óók als een excuus.” Het is een strijd die hij niet kan winnen, al probeert hij het wel. Door leerling-monteurs op stage te sturen bij Mercedes in plaats van een garage in Molenbeek, bijvoorbeeld. Als ze de wijk maar uitkomen. Want hij weet: uit zichzelf doen ze dat niet.

„Dáár voelen ze zich niet gewenst.”

Het goede nieuws: ook de politiek is ervan doordrongen dat de situatie onhoudbaar is geworden. Zo presenteerde de inmiddels afgetreden Onderwijs-minister van de Franse Gemeenschap Joëlle Milquet vorig jaar haar Pact d’Excellence; een stapel hervormingen die de kwaliteit van het Franstalig onderwijs moeten opschroeven. De vraag is alleen wat daarvan terechtkomt; Milquet nam onlangs ontslag wegens een integriteitskwestie.

Dus dwalen Chansons gedachten soms af. Hij houdt nog van zijn werk, maar niet van de machteloosheid die hij continu voelt. Misschien dat hij op een kleinere school zijn enthousiasme hervindt. Plots licht zijn gezicht op. Laatst kwam hij een oud-leerling tegen. Een slim meisje, 24 jaar, hoofddoek. „Ze vertelde me dat ze nu Politicologie studeert”, zegt hij en tikt op tafel.

„Daar gaan we nog van horen, ik weet het zeker. Het bestaat dus wel.”