Waarom oude vragen keihard terugkomen

Klein bericht in een Oostenrijkse krant: „Rechts-extremisten stormden binnen bij een toneelvoorstelling in de universiteit van Wenen, gooiden rechts-extremistische pamfletten in het publiek, brulden slogans, spoten nepbloed in het rond en brachten een paar toeschouwers letsel toe.”

Voorpagina. En terecht: dit gebeurde niet begin jaren dertig, maar vorige week. En het is geen incident.

De aanvallers zijn lid van de Identitäre Bewegung Österreich (IBÖ), een groep die zich verzet tegen „rassenvermenging” en het „imperialisme” van moslims en Amerikanen; Amerikanen heten de heersers van de globalisering die volkeren van hun identiteit berooft.

Ze waren met zijn dertigen. Hun leider was erbij. Op hun pamfletten stond „Multikulti tötet”. De (gratis) voorstelling die ze kwamen verstoren, was De beschermelingen van Nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek, deels opgevoerd door vluchtelingen. Er zaten zevenhonderd mensen in de zaal. Oostenrijkers zijn gek op toneel. En hoewel de regering grenzen optrekt om vluchtelingen te weren, helpen velen als vrijwilligers mee om vluchtelingen in te burgeren. In 2015 kreeg het land 90.000 asielaanvragen. Volgens de lokale pers zei de IBÖ achteraf dat de actie niet zozeer tegen de vluchtelingen gericht was, als tegen „de huichelaars in het publiek en de politiek”.

We praten liever over halal gehaktballen dan over een vergezicht voor de samenleving

Het is maar één episode in een groter Europees gevecht, dat steeds meer gepolariseerd raakt: het gevecht over identiteit. Het woedt al langer; de globalisering laat grenzen vervagen, maakt mensen mobieler en herschikt politieke en sociale verbanden. Schaalvergroting bracht economische voorspoed. Ook leverde het extra bewegingsvrijheid op. Letterlijk, door het grenzeloze Europa en goedkope vakanties in Phuket. En figuurlijk, omdat het mensen bevrijdde van controle van de buren en de dominee. Maar net nu we kunnen zijn wie we willen zijn, keert het tij. Door de crisis stagneert de economie en groeit de ongelijkheid.

Veel Europeanen voelen zich slachtoffer van de globalisering. En nu verschijnen massa’s vluchtelingen en migranten uit andere culturen. Amerika is altijd een immigratieland geweest, met een immigratiepolitiek. Europa is het nu ook, ongewild. Maar zónder immigratiepolitiek.

Iedereen is on edge. De verliezers van de globalisering grijpen vertwijfeld terug naar een oude orde die niet meer bestaat. Deuren op slot, gordijnen dicht. Zij zoeken geborgenheid en offeren de libertaire verworvenheden van Europa graag op voor „eigen volk eerst”. Het gaat ze goed: het debat, of wat ervoor doorgaat, wordt al helemaal op hun terrein gevoerd.

Europeanen praten niet over baanbrekende Europese plannen voor legale migratie, een van de belangrijkste buitenlands-politieke initiatieven sinds tijden, maar over hoe Turkije met homo’s of cartoonisten omgaat. We debatteren niet over de maatschappij die we willen, maar over hoofddoeken. Vroeger deden Europese stewardessen een doek om op Iraans grondgebied. Nu is het opeens een principieel issue. Irrelevante vragen als ‘Is Abu Jahjah goed of fout?’ komen terug with a vengeance. En half Nederland vereenzelvigt zich, curieus, met majesteitsschennis. Zelfs zij die Europa niet willen overdragen aan de nationalisten, laten zich compleet meeslepen in deze afgeleide, identitaire nonsensdebatten. Tot nuchtere gedachtenwisselingen zijn weinigen meer in staat.

Hét probleem in Europa is dat er te weinig wordt nagedacht en te veel wordt gevoeld. Die verstoorde voorstelling in Wenen is daarvan een verontrustende uiting.