Waar moet dat heen met zo’n verdeeld land?

Ze zien ‘eng nationalisme’, een ‘klassenstrijd’ en ‘groepen die tegenover elkaar staan’. Zeven fractieleiders uit de Tweede Kamer over ongelijke kansen en wat ze daartegen kunnen doen. En wat niet.

Illustratie Sebe Emmelot

Twee van Halbe Zijlstra’s beste vrienden, hij kent ze nog van de basisschool, zijn bouwvakker en automonteur. „Ze hebben een ander leven dan ik”, zegt Zijlstra, fractievoorzitter van de VVD. „Dat wel.”

SP-leider Emile Roemer voetbalt op zaterdag in het veteranenelftal van vv Sambeek en hoort in de kleedkamer het cynisme van zijn ploeggenoten over de politiek. Over oud-voetballer John de Wolf bijvoorbeeld, die de ouderenwerkloosheid moet bestrijden. „Hoeveel banen neemt die man voor ons mee?” Roemer is ook nog lid van de blaaskapel in zijn dorp. Zo komt hij ze tegen: mensen met veel minder opleiding dan hijzelf en heel ander soort werk. Of helemaal geen werk.

Andere fractievoorzitters uit de Tweede Kamer kennen die ‘andere wereld’ vooral door vriendjes en vriendinnetjes van hun kinderen. „Op het schoolplein zie je de verschillen meteen”, zegt Diederik Samsom (PvdA). „De jongetjes met wat langer haar hebben hoger opgeleide ouders.”

ChristenUnie-fractievoorzitter Gert-Jan Segers zoekt de mensen met een andere afkomst en opleiding dan hijzelf natuurlijk op tijdens werkbezoeken, net als zijn collega’s. En net als de meeste van hen maakt hij zich zorgen over de groeiende verschillen. Maar hij geeft ook toe: de inwoners van zijn wijk in Amersfoort, het vroegere dorp Hoogland, zijn vooral hoogopgeleid en wit. Zelfs in zijn kerk is dat zo.

Jesse Klaver (GroenLinks) is in Den Haag in een ander soort wijk gaan wonen, vooral omdat zijn vrouw geen zin had om alleen maar ‘ons soort mensen’ tegen te komen. Klaver zelf hoeft in elk geval niets te bewijzen: hij groeide op in een sociale huurwoning in Roosendaal. Hij was zo’n jongen die, misschien wel vooral door zijn afkomst, aan het eind van de basisschool vmbo-advies kreeg.

Hét thema voor verkiezingen

Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) bleek anderhalf jaar geleden al dat Nederland sociaal en cultureel uit elkaar groeit: hoog- en laagopgeleiden leven steeds meer in een eigen wereld. Het verheffingsideaal lijkt te zijn uitgewerkt: kinderen van laagopgeleide ouders volgen minder vaak hoger onderwijs. Misschien omdat ze nog steeds minder kansen krijgen. Uit het jaarverslag van de onderwijsinspectie bleek vorige week dat kinderen van laagopgeleide ouders die even slim zijn als kinderen van hoog opgeleide ouders, toch een lager middelbare schooladvies krijgen.

Politieke leiders in Den Haag lezen ook studies die laten zien dat juist bij de armere en laagopgeleide groepen het ongenoegen groeit over Europa, globalisering, migratie, de elite. En ze zien hoe de PVV in de peilingen groeit, net als veel andere rechtse, anti-EU en anti-migratiepartijen in Europa.

Van de zeven fractievoorzitters in dit verhaal – PVV-leider Geert Wilders wilde niet meedoen – twijfelt niemand eraan: de groeiende ongelijkheid wordt een belangrijk thema, misschien wel hét thema, in de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van uiterlijk volgend voorjaar. Ze vinden ook allemaal dat er veel op het spel staat.

„We hadden vroeger de zuilen”, zegt Sybrand van Haersma Buma (CDA). „Daar was echt wel een en ander op af te dingen, maar op die zuilen stond een dak. Zonder zuilen stort de boel in elkaar. We weten niet naar welke samenleving we nu op weg zijn.” Gert-Jan Segers (CU) noemt de ongelijkheid „een sociale tijdbom”. Alexander Pechtold: „We komen tegenover elkaar te staan. D66 vocht vroeger tegen de regenten en dat doen we nog steeds. Maar dit is anders, dit gevecht tegen de elite is heel venijnig en je ziet allerlei uitingen waarbij de beschaving aan de kant wordt gezet.”

Mensen pikken het niet langer, denkt Jesse Klaver. „We moeten nu iets doen, anders verliezen we het. Dan gaan we terug naar eng nationalisme.”

In groepjes bij elkaar: zwart, wit

Maar wat moeten de politieke leiders dan doen? Wat kúnnen ze doen? En wat niet? Gert-Jan Segers vindt dat er een „aanvalsplan tegen ongelijkheid” moet komen. „Het volgende kabinet zal het kabinet moeten worden van samenleven.”

Dat begint, vinden alle politici in dit verhaal, met beter onderwijs. Voor links geldt daar nog steeds het verheffingsideaal, maar ook Halbe Zijlstra noemt onderwijs de „liberale emancipatiemotor”. Hij en Jesse Klaver noemen allebei het Finse onderwijsmodel als het goede voorbeeld: met een late selectie voor het middelbaar onderwijs en alleen hoogopgeleide leerkrachten, academici, voor de klas.

Zijlstra zou ook in Nederland het liefst zien dat leraren, ook in het basisonderwijs, geen bachelor maar een masterdiploma hebben. „Alleen als je verschillen tussen kinderen goed opmerkt, kun je daar ook echt iets mee doen.”

Neem hemzelf. Zijlstra wisselde van school in het Friese Oosterwolde, midden in de basisschoolperiode. Een klein dorp, homogene bevolking. Hij ging van de Schapekamp naar de Buttingaschool, omdat zijn ouders naar de andere kant van het dorp verhuisden. Van de Buttingaschool ging, op drie kinderen na, iedereen naar havo of vwo. Van de Schapekamp was dat er eentje, de rest ging naar de mavo. „Aan de kinderen lag het heus niet. Het waren de leraren.”

Kinderen moeten eerder naar school gaan, vindt Diederik Samsom, vanaf hun tweede. Nu zitten kinderen van ouders die het kunnen betalen op de kinderopvang en kinderen van armere ouders krijgen voorschoolse educatie omdat ze op zulke jonge leeftijd al een taalachterstand hebben. „Dat werkt segregerend”, zegt Samsom. „Laat al die kinderen samen spelen in dezelfde leerrijke omgeving.”

Je redt het niet alleen met onderwijs, denkt Emile Roemer. De SP wil verder gaan en ziet het liefst op allerlei gebieden méér overheidssturing. Dat noemt hij: „De voorwaarden organiseren voor een andere manier van samenleven.” Voor scholen zou er wat hem betreft een spreidingsbeleid moeten komen, waardoor het onderwijs echt gemengd wordt.

Samsom wil zo’n „organiserende overheid” ook wel. Maar hierin staan de SP en de PvdA in de Tweede Kamer zo’n beetje alleen. Je moet er, vindt Samsom, ook ontspannen over blijven. Hij was laatst op zo’n goed gelukte gemengde school op werkbezoek. „Kom maar eens mee, zei de directeur in de pauze. Vanaf het balkon zag je de groepjes zitten: zwart, wit, zwart, wit. Net een schaakbord. Maar als PvdA moeten we blij zijn dat ze elkaar in elk geval tégen komen.”

Dat begint in de buurt waar je woont, zeggen de meeste fractieleiders. SP-fractievoorzitter Roemer vindt dat je gemengde wijken moet organiseren en zijn ideaal is dat woningcorporaties weer verenigingen worden waar leden de baas zijn. VVD’er Zijlstra gelooft helemaal niet in het „gesubsidieerd mengen van mensen”. „Je kunt Rotterdam-Zuid niet bij Blaricum naar binnen rijden.”

Maar ook Zijlstra ziet dat het goed kan uitpakken als je woningen voor ouderen midden in de wijk plant. En hij noemt het „verstandig beleid” om geen wijken neer te zetten met alleen koopwoningen of sociale woningbouw.

CDA’er Sybrand Buma moet er het minst van hebben, sturend woningbeleid. Denk aan de wijk Ypenburg in Den Haag, zegt hij. Daar was het een paar jaar geleden vaak onrustig. Er waren rellen en vechtpartijen. „Ze hadden de rijtjes koophuizen horizontaal neergezet en de huurhuizen verticaal. Dat botst dus.”

Buma vindt dat de overheid vooral niet in de weg moet lopen. Zoals hij wel zag gebeuren in de Limburgse gemeente Venray. Een groepje ouderen regelden samen dagopvang en ze wilden ’s avonds ook samen gaan koken. Maar dat mocht niet van de gemeente. „Dat kon zonder vergunning maar tot acht personen en ze waren met twintig. Hallo, zei één van die vrouwen, ik kom uit een gezin van twaalf. Met zulke regels haal je het weefsel uit de samenleving.”

De overheid kan het zich ook niet meer veroorloven, zegt Buma, „om elk individu steeds maar weer financieel te hulp te schieten”. D66-leider Pechtold zegt het zo: „De tijd van het gepamper is voorbij.” De politiek moet volgens hem stoppen met alles maar dichtregelen. „Het antwoord ligt in lokale oplossingen. Minder Haagse bemoeizucht en accepteren dat er dan regionaal verschillen ontstaan. En dat er dan ook dingen mis gaan. Want dat accepteren we nauwelijks meer.”

Van Halbe Zijlstra zou je zo’n verhaal ook verwachten. En natuurlijk vindt hij dat mensen „ná goed onderwijs zelf hun kansen moeten grijpen”. Maar hij ziet ook dat mensen met weinig opleiding minder „handvatten” hebben om de geglobaliseerde wereld te begrijpen, en dat ze daar onzeker van worden. „Ik probeer politieke beslissingen altijd terug te brengen tot wat ze voor het leven van mensen zelf betekenen. Dat kan hen geruststellen. Wij hebben als politici die taak.”

Zijlstra vertelt over zijn zus, tandartsassistente, die een gehandicapt kind heeft. Zij kon haar eigen situatie even niet meer overzien toen de regels voor het persoonsgebonden budget veranderden. „Haar kind raakt al in paniek als er een andere chauffeur is die hem naar de dagopvang brengt.”

Dé tweedeling bestaat niet

De Tweedeling staat nooit als apart onderwerp op de agenda van de Tweede Kamer. Al is het maar omdat er niet één tweedeling bestaat, zegt Buma. „Er lopen allerlei breuklijnen door de maatschappij. Tussen jong en oud, vast en flex, tussen allochtoon en autochtoon.”

Roemer ziet juist wel één grote sociale ongelijkheid: „Ik durf het woord klassenstrijd best in de mond te nemen.”

Hoe de Nederlandse samenleving zich ontwikkelt, is volgens Buma een „meta- én een megavraag”. De meeste politici zijn hoogopgeleid en dus moeten ze oppassen, vindt hij: zo’n debat ontaardt al snel in praten over een andere groep dan die van jouzelf. De meeste Nederlanders maken zich vooral druk over hun eigen situatie, denkt Buma. „Ze werken gewoon hard of ze zien dat Polen hun baan inpikken. Daar maken ze zich zorgen over.”

Bijna alle fractievoorzitters kijken ongerust naar het succes van mogelijke presidentskandidaat Donald Trump in de Verenigde Staten. Het lukt hem om de middenklasse aan te spreken die zichzelf sociaal voelt wegzakken. Zoals Wilders dat in Nederland voor elkaar lijkt te krijgen. Gert-Jan Segers ziet dat als een „uiting van wanhoop van mensen”. „De onvrede hangt heel erg samen met een gevoel van ontheemding en vervreemding over politieke beslissingen. Daar moeten we iets aan doen.”

Alexander Pechtold vermoedt dat boze burgers wel eens „balen” dat hij hun „onbeholpen uitingen” vooral uitlegt als betrokkenheid. „Ik zie die emoties als bewijs dat ze níet zijn afgehaakt.”

De fractievoorzitters weten niet goed wat je ertegen kunt doen, dat hoog- en laagopgeleiden elkaar amper meer tegenkomen – zonder dienstplicht en met steeds minder kerk. Maar op zijn minst, zegt Jesse Klaver, moeten de twee werelden blijven proberen om elkaar te begrijpen.

Hij spreekt zijn vrienden erop aan als ze bijvoorbeeld neerbuigend doen over de muziek van Nick en Simon. „Als ze dat wegzetten als lage cultuur, accepteer ik dat niet. Net zo min als anderen moeten afgeven op het Concertgebouw. Zo praat je niet over elkaar.”