‘Trauma van wiskunde? Wees niet meer bang!

De Russisch-Amerikaanse ‘rockstar mathematician’ Edward Frenkel wil wiskunde sexy maken. „Als iemand zegt: dit is te moeilijk, frustrerend, zeg ik: welkom in mijn wereld.”

De wiskundige Edward Frenkel in New York. Foto Elizabeth Lippman/Contour by Getty Images

Zijn rode wijn is nog niet gearriveerd, de eerste vraag nog niet gesteld. Maar Edward Frenkel (47) kan niet wachten. „Het verzet tegen wiskunde? Ik zie het als een jeugdtrauma”, barst hij los met een zangerig Russisch accent dat ondanks een half leven in de Verenigde Staten niet is gesleten. „Het hoeft maar één keer mis te gaan. Je moet voor de klas een rekenkundig probleem oplossen. Het gaat niet. Je krijgt op je kop, want we zijn gericht op het resultaat en het resultaat is fout. Je voelt je dom. Een nachtmerrie.”

De wijn is er, Frenkel neemt een slok. In salvo’s korte zinnen praat hij verder. „Dan ben je levenslang bang. Bang om het fout te doen en ‘dom’ te zijn. Zonde, want het is een schitterend vak. Zo ontzeggen we miljoenen mensen die kennis, wijsheid en schoonheid.”

Als schrijver, spreker en hoogleraar aan de Universiteit van Californië wil Frenkel „de magische wereld” van cijfers en formules openbreken voor een breed publiek. „Het prachtige van de wiskunde is dat iedereen het kan begrijpen, met voldoende inzet. Het is geen pil die je slikt en de wereld opent zich. Maar met de juiste middelen kan deze ontdekkingsreis geweldig zijn.” Zijn onlangs vertaalde boek Liefde & Wiskunde biedt die middelen, betoogt Frenkel.

Hoe ziet een stereotype wiskundige eruit? Stoffig, ouder, grijs, sociaal onbegaafd, nerdy? Frenkel is het tegendeel, blijkt in de luidruchtige wijnbar die hij uitkoos als ontmoetingsplaats in studentenstad Berkeley. In designspijkerbroek, zwart overhemd en coole gympen lijkt hij met zijn met nonchalant warrige haar weggelopen uit een hipstercafé in Brooklyn.

Of van een filmset. Frenkel staat bekend om zijn toegankelijke TED-talks en goed ontvangen boek, maar een paar jaar geleden maakte hij ook een film. Een blote vrouw, zijn eigen naakte lijf, sensualiteit en lichaamskalligrafie kwamen samen met wiskundige formules. Het was een abstract eerbetoon aan zijn vak, een poging om in beeld te brengen hoe het kan voelen om wiskunde te begrijpen.

Rites of Math and Love heette de video, een hit onder studenten en nerds. In de media en onder collega’s kwam Frenkel bekend te staan als ‘rockstar mathematician’ – wat zowel bewonderend als denigrerend bedoeld kon zijn.

Het kamp dat toejuichte hoe hij de wiskunde op een sexy manier aan de man bracht, stond tegenover de groep die het smakeloos en aanstootgevend vond.

Antisemitisme

Over de reacties haalt Frenkel zijn schouders op. „Het was een experiment.” Hij is geen filmmaker en probeerde maar wat. Het kan het hem niet veel schelen wat ‘de wiskunde-gemeenschap’ vindt.

Zijn doel is om jongeren en ouderen, kenners en leken op alle mogelijke manieren te overtuigen van de noodzaak om niet bang te zijn voor cijfers.

„Door technologie verandert het leven snel. We kunnen niet meer zonder de computers in onze zak. Allemaal gebaseerd op wiskunde. We zijn alles aan het meten, alles moet in cijfers. Maar we begrijpen er niets van. En dus geven we ons over aan een paar techneuten en kenners. Alsof het profeten zijn. Ze zullen wel iets weten dat wij niet weten. Dat is niet zo.”

Hij kijkt liefdevol naar zijn iPhone op tafel. „Technologie is prachtig. Ik hou van dit ding. Maar als we zelf niet opletten, hebben we geen idee waar de technologie ons heen zal voeren.”

Apart was Frenkel van jongs af aan. Hij groeide op met een Joodse vader in de Sovjet-Unie. Hij was een slimme jongen die snel kon denken. Hoewel het gezin niet religieus was, merkte Edward dat hij door de familie-wortels minder mocht en kon dan andere, ‘gewone’ kinderen.

Zijn grootvader was naar de goelag-archipel van Stalin gestuurd, waarna zijn vader als ‘zoon van een vijand van het volk’ geen kans maakte om zijn droom waar te maken: fysicus worden.

Ook Edward werd, naar eigen zeggen door rabiaat antisemitisme, niet toegelaten tot de universiteit van Moskou. Hij had er, „gegrepen door de wiskunde”, willen studeren. Frenkel beschrijft hoe hij in 1984 als tiener intellectueel werd afgetuigd tijdens het toelatingsexamen, met steeds weer nieuwe, steeds moeilijkere wiskundige problemen: „Als dit een bokswedstrijd was waarin een van de boksers in de hoek was gedrongen, bebloed, wanhopig proberend staande te blijven onder het spervuur van slagen die op hem neerdaalden (veel ervan onder de gordel), zou dat probleem het equivalent zijn van de laatste, dodelijk slag.”

Toen hij teneergeslagen vertrok raadde een examinator aan om maar ingenieur te worden aan het Instituut voor olie en gas: „Zij nemen studenten zoals jij wél aan.”

Zoals veel Russische jongens leerde Edward op jonge leeftijd schaken. „Ik was compleet geobsedeerd.” Hij miste alleen een cruciaal element om grootmeester te worden: „Ik gaf niet om de competitie. Ik snapte niet waarom winnen belangrijk was. Wat zou er gebeuren als ik verloor? Ik besloot dat er belangrijke zaken zijn in het leven, en dat winnen daar niet bij hoort.”

In 1989 werd Frenkel – hij was pas 21 – in een korte brief door de president van Harvard University uitgenodigd om naar Amerika te komen. Hij had een beurs gewonnen.

Dankzij de perestrojka werd reizen naar het Westen mogelijk en Frenkel aarzelde niet. Hij vloog naar Boston en was er thuis. De materiële overvloed (in de supermarkt) en intellectuele vrijheid (aan Harvard) waren zo groot, dat hij niet achterom keek.

Cultureel erfgoed

Frenkels ster rees snel; hij was nog geen dertig toen hij als jonge geleerde naam maakte in de wereld van Amerikaanse wiskundigen. Inmiddels is zijn boek in veertien talen verschenen. Hij treedt op in heel Amerika, in Turkije en Portugal.

Overal komen massa’s geïnteresseerden op zijn optredens. Hij denkt dat het komt doordat kennis bindend werkt. „Ik wil duidelijk maken dat íédereen wiskunde kan gebruiken om fundamentele zaken te snappen. Ik proef een enorme honger naar die boodschap: dat we meer hetzelfde zijn dan verschillend.”

In zijn boek legt Frenkel uit dat wiskunde deel uitmaakt van ons cultureel erfgoed, niet minder dan beeldende kunst, literatuur en muziek. Dat is al een reden om „de rijke en duizelingwekkende wereld” open te breken.

Bovendien was wiskunde in het onvrije land van zijn jeugd „een soort voorpost van de vrijheid”. In andere woorden: begrip van de moderne wiskunde is van levensbelang voor vrije mensen overal.

Het probleem is dat het boek – Frenkels denken – voor een deel hermetisch gesloten blijft voor de ongeschoolde lezer. De passages over zijn jeugd en overstap naar het westen zijn meeslepend.

Maar Margriet van der Heijden was niet de enige recensent die de overige passages (in NRC) beoordeelde als weerbarstig en meestal niet te volgen.

De schrijver kan het niet schelen. De lezer die het niet snapt en tóch doorleest, die is pas nobel, vindt hij. „Als iemand zegt: dit is te moeilijk, het is frustrerend, dan zeg ik: welkom in mijn wereld.” Hij parafraseert Einstein, „die zei iets als: alles moet zo goed mogelijk worden uitgelegd, maar niet meer dan dat.”

Het gaat hem om de zeldzame momenten van verbinding tussen schrijver en lezer, docent en student. Niemand is geïnteresseerd in elke zin in een boek, zegt Frenkel. Zoals geen student in zijn college-algebra elke formule oppikt.

Maar: „Het is altijd stil in mijn lokaal en soms merk ik dat de stilte oorverdovend wordt. Er lijkt een extra laag van bewustzijn te verschijnen. Dat is magisch: we worden één en dezelfde. Het is mijn taak om zo veel mogelijk van die momenten te scheppen, wanneer je de overdracht van kennis kunt vóélen. Ik wil een weg zien te vinden naar het hart van al die mensen met jeugdtrauma’s. Het is oké, zeg ik, je hoeft niet bang te zijn.”