Selfie in de sneeuw

Pepijn Lanen

We komen in een avond-file terecht onderweg naar het vliegveld. De weg is lang en recht en vol met Amerikanen die als kinderen hun auto’s besturen. Ik ben bang dat we te laat zullen komen. Ik ben extreem vatbaar voor vliegstress. Bij de incheckbalie waar we onze koffers af willen geven tuurt de medewerkster eindeloos in onze paspoorten. Ze haat ons; ik weet het zeker. Deze overtuiging groeit met de seconde.

Als ze ons eindelijk aankijkt zegt ze met een glimlach tegen mijn vrouw dat we zo’n schattige baby hebben en dat ze een stoel tussen ons in heeft opengelaten voor hem. Ik laat nog even zien dat hij wel al wil staan maar nog last heeft van spaghetti-benen door hem op de desk heen en weer te laten zwalken terwijl het gesprek verder gaat over babyniemendalletjes.

We vliegen zes uur lang over de Atlantische Oceaan. De kleine in dromenland en mijn Coco en ik allebei klaarwakker. Een gigantische Hollander eet met zijn kolossale vleeshaken een piepklein bolletje. Het heeft iets belachelijks. Het blijkt een Duitser te zijn, en geen bolletje maar een kaiserbrötchen, en dat maakt het een beetje goed.

Als we landen is het twaalf uur in de middag. Coco moet naar de ambassade en ik moet naar Purmerend om een afgietsel van mijn hoofd te laten maken. Ik kan alleen maar denken aan die scène uit Bright Lights, Big City waarin de vriendin van Michael J. Fox een afgietsel van haar hoofd moet laten maken en dan in paniek raakt. Langzaam wordt er een kruising tussen gel en klei-achtige substantie op mijn hoofd aangebracht. Het is koud en stukje voor stukje slippen mijn zintuigen dicht. Eerst oren, dan ogen en daarna mond. Alleen mijn neus is nog open. Dan raak ik in paniek. Later moet mijn mond opnieuw.

Ik moet direct door naar Eindhoven om op te treden. Ik app met Coco en ze vertelt dat haar verzoek om een specifiek visum is afgewezen omdat ze een ander specifiek visum nodig heeft en dat ze nu weer van vooraf aan mag beginnen.

We nemen afscheid terwijl ze mijn zoon op haar buik mee terug door de douane neemt. Hij heeft geeneens tijd gehad voor een jetlag.

Bergen zijn voor altijd

Minder dan twaalf uur na Eindhoven zit ik in Genève. De Starbucks is hier precies hetzelfde als op alle andere plekken waar ik hem heb mogen beleven de afgelopen weken, behalve dan dat ze hier met dat malle Zwitserse accent spreken wat je net niet bevredigend grappig kunt imiteren.

Wiwa [Willy Wartaal, ook van de Jeugd van Tegenwoordig] draait een krant om met een artikel over vluchtelingen om er niet naar te hoeven kijken, maar op de andere kant staat een hele grote kop.

Ik vind het eng omdat het een grote verandering is die nu gaande is. Ik weet ook niet wat er moet gebeuren. In de bergen lijkt alles nog hetzelfde als 10 of 20 jaar geleden. De huizen zijn wat verpieterd, dat wel. De bergen zijn voor altijd. Pilaren voor de eeuwigheid. In het busje zijn gele m&m’s en anti-depressiva.

We drinken dubbele espresso’s in badjassen in het hotel. Het personeel komt uit het buitenland en het publiek zijn schoften. Ik eet een heerlijke tournedos met gefrituurde uienringen en maak de volgende dag de kapitale fout om dat nog een keer te willen. Ik krijg het in het Frans aan de stok met de bediening en als het dan uiteindelijk toch geserveerd wordt, is het in geen velden of wegen te vergelijken met zijn voorganger.

Alleen mijn neus is nog open. Dan raak ik in paniek. Later moet mijn mond opnieuw

Ik ga op mijn rug in de sneeuw liggen en maak een sneeuw-engeltje dat niemand ooit zal zien. Ik maak er een foto van maar daar is eigenlijk alleen sneeuw op te zien. Ik stuur een selfie naar de andere kant van de oceaan, liggend in de sneeuw met een glimlach.

We rijden terug over de bergwegen en het doet me denken aan onze vakantie in Japan met gehuurde auto en hoe gelukkig we waren. Op een viaduct staat graffiti. Ik vraag me af wat het nog betekent in this day and age. Is het een ritueel of traditie geworden? Of alleen nog een vorm die door wordt gegeven door de ene jeugd aan de volgende?

In Amsterdam haal ik een pizza af en kom er thuis achter dat er geen toiletpapier en tandpasta meer is. Ik zwalk over de straten en waan me een eenzame astronaut op de donkere kant van de maan.

Een week later, in het vliegtuig terug naar New York ben ik melancholisch over nota bene de plek waar ik naartoe ga. De twee maanden en de aangemaakte herinneringen registreren nu pas in mijn emotionele gastenboek. Het feit dat ik er nu weer ga zijn, maakt pas duidelijk dat ik er net veel langer geweest ben en hoe bijzonder dat was.