Pensioenfondsen, investeer in levensgeluk

Ons pensioengeld klotst over de wereld op zoek naar rendement. Daarmee dienen we vooral concurrerende economieën. Investeer liever duurzaam in eigen land, betoogt Ad Verbrugge.

foto Marco Okhuizen

De zorgen over de houdbaarheid van ons pensioenstelsel nemen snel toe. Extreem lage rentes en een algeheel gebrek aan rendement op de financiële markten hebben ertoe geleid dat vele pensioenfondsen onder water staan; bij vier van de vijf grootste fondsen is de dekkingsgraad ruim onder de 100 procent beland, zo werd deze week bekend. Onder deze omstandigheden zullen de pensioenen moeten worden gekort en de premies verhoogd. Door oplopende vergrijzing ziet de toekomst voor de jongere generatie er nog wat somberder uit.

Arnoud Boot en Lans Bovenberg betoogden onlangs in NRC het pensioenvraagstuk in samenhang te zien met de problematiek van de huizenmarkt. Ik juich deze visie toe, maar acht het tevens noodzakelijk om een debat te voeren over wat we willen met onze pensioenfondsen. Daarbij dient het over meer te gaan dan de hoogte van premies, pensioenleeftijd, individualiseren, reguleren en indexeren.

Zowel qua opzet als omvang zijn de Nederlandse pensioenfondsen uniek en daar mogen we trots op zijn. Ze zijn het product van onze politieke en sociaal-economische geschiedenis waarin de solidaire zorg voor het collectief centraal staat. Sinds het aanzwellen van de ‘neoliberale’ wind in de jaren ’80 is er echter veel veranderd in ons pensioenbeleid. Zo was het tot 1983 verboden pensioengeld in risicodragend kapitaal te investeren. We hoeven niet terug naar vroeger, maar de tijd is wel rijp om opnieuw de vraag te stellen waartoe pensioenfondsen op aarde zijn.

Enige tijd geleden was ik bij een voordracht van een voormalig pensioenfondsbestuurder over de ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ van zijn fonds. Er werd een aangrijpend beeld geschetst van de kredietcrisis en de dramatische gevolgen voor de Amerikaanse middenklasse: mensen die hun huis kwijtraakten en in tentenkampen kwamen te wonen, beleggingen die verdampten en verloren pensioengelden. Vanaf dat moment stond de missie van deze bestuurder vast: voorkomen dat de leden van zijn fonds in een dergelijke situatie terecht zouden komen. Maatschappelijk verantwoord pensioenbeheer was in zijn ogen meer dan ervoor zorgen dat de sector niet in twijfelachtige sectoren zoals de wapenindustrie handelde, boven alles moesten de belangen van de leden worden beschermd. Zo moest belet worden dat de staat een greep in de pensioenkas zou doen.

Dat de belangen van de leden veilig gesteld dienen te worden, lijkt mij een zinnig streven. Maar datzelfde geldt natuurlijk voor een gewoon beleggingsfonds. Dat je iets collectief organiseert – zoals de zorg voor pensioenen – betekent nog niet dat het welzijn van het collectief als zodanig ook het doel is, laat staan het algehele maatschappelijke welzijn. Het is dus de vraag welke belangen de fondsen op het oog hebben, welk collectief zij dienen en in hoeverre dat ‘maatschappelijk verantwoord’ is.

Mede door de vergrijsde ledenaanhang van vakbonden lijken pensioenfondsen momenteel vooral de belangen van oudere werknemers te behartigen. En omdat ook in pensioenland het rendementsdenken domineert, gaan de pensioenbeleggers vooral voor dit vergrijsde collectief op zoek naar rendement en stromen honderden miljarden Nederlands pensioengeld de wereld over. Toch is het precies deze wereldwijde oriëntatie op rendement die op gespannen voet staat met deze ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’. Waarin is die dan gelegen?

Alleen dankzij een functionerende rechtstaat, een goede infrastructuur, deugdelijk onderwijs, innovatie en ondernemerschap kan er een gezonde economie bestaan. Daarmee raken we aan het gehele economische en maatschappelijke weefsel waaraan we allemaal onze welvaart te danken hebben. Zolang echter sprake is van een louter globale en financiële oriëntatie op rendement, maakt men gebruik van dit lokale weefsel zonder er zorg voor te dragen. Als de fondsen werkelijk verantwoord willen opereren, dienen ze ook gericht te zijn op dit weefsel – als de plaats waar al het toekomstig pensioengeld verdiend wordt. Andersom moet hen deze gelegenheid dan wel geboden worden.

De zorg voor dit weefsel draagt meteen bij aan het welzijn van hun leden. Dat zijn namelijk geen landloze ‘beleggers’ die slechts rendement zoeken. Het zijn in de eerste plaats Nederlandse burgers, die bijvoorbeeld een beroep doen op zorg en die hun kinderen een toekomst willen geven. Hun geluk hangt direct samen met de omstandigheden waarin zij leven. Als pensioenfondsen de vraag naar het levensgeluk van hun leden zouden betrekken bij hun beleid, dan ontstaan er andere afwegingen.

Zo weten we dat er momenteel in allerlei sectoren ‘disrupties’ plaatsvinden. Denk aan de ontwikkeling van ICT (robotisering) of de vergrijzing en kostenstijging in de zorg. In reactie op de kredietcrisis leek er even een ‘momentum’ te zijn om op een duurzamere economie over te schakelen. Er waren plannen voor een duurzame delta: alternatieve energiewinning, elektrische auto’s, cradle to cradle. Terwijl vrijwel iedereen het daarover eens was, bleven grote infrastructurele investeringen in Nederland achterwege.

Als pensioenfondsen zich laten voorstaan op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, dan ligt hier een uitgesproken taak voor hen. Nu is het wonderlijk om te bedenken dat momenteel – door een sterke financiële oriëntatie op pensioenen – veruit het grootste deel van het belegde Nederlandse pensioengeld terechtkomt in buitenlandse economieën. We financieren zogezegd onze concurrenten.

Verhoging van investeringen in Nederland met slechts enkele procenten zou al mogelijk maken dat er op grote schaal nieuwe initiatieven kunnen worden ontplooid. Het hoeft niet eens zozeer te gaan om duurzaamheidsprojecten: ook ICT kan op allerlei terreinen een maatschappelijke meeropbrengst hebben. De huidige crisis is dan ook een uitgelezen moment voor de Nederlandse pensioenfondsen om met overheid, bedrijfsleven en investeerders tot een nationale investeringsagenda te komen.

Daar zijn andere goede redenen voor: geld dat naar het buitenland gaat, wordt slechts één keer uitgegeven, terwijl het in Nederland meerdere keren ‘over de kop gaat’: het multiplier-effect. Als in 2008 was besloten tot een masterplan om Nederland massaal te vergroenen (zonnepanelen e.d.), dan was het geld terechtgekomen bij mkb’ers die deze systemen aanleggen. En zij geven dat geld weer uit. Bovendien ontwikkelen we zo complexe (sociale en technologische) infrastructuren. Kennis die we kunnen opschalen en exporteren.

Nu komt het geld van pensioenfondsen vooral in financiële markten terecht. Ironisch genoeg gaat het vaak naar conservatieve, ‘veilige’ sectoren als ‘olie en gas’. Hoe veilig die zijn hebben we recentelijk gezien. Inmiddels is de onzekerheid in vrijwel alle sectoren toegenomen. De trukendoos waarmee centrale banken de ‘kredietcrisis’ te lijf gingen, werkte vooral een onhoudbare schuld in de hand. Sinds 2007 steeg de mondiale schuld met meer dan 40 procent. Er worden steeds buitenissiger maatregelen genomen – negatieve rentevoeten, kwantitatieve verruiming, devaluatie – die pensioenfondsen direct bedreigen.

De financiële markt is inmiddels zo’n vijfentwintig keer groter dan de reële, terwijl ze begin jaren tachtig ongeveer even groot waren. Monetaire steunmaatregelen komen nauwelijks nog in de reële economie terecht. Het geld klotst over de wereld op zoek naar rendement. Overal ontstaan bubbels.

Pensioenfondsen doen er daarom verstandig aan fundamenteel ander beleid te ontwikkelen. Alleen al uit risico-overwegingen heeft meer investeren in eigen land de voorkeur. Zoals we ook bij het redden van de banken en de eurocrisis zagen, spelen bij een financiële crisis nationale sentimenten altijd een rol. In het geval van een mondiale systeemcrisis is er dus een aanzienlijk risico dat pensioenvermogen dramatisch slinkt zonder dat er economische waarde is gecreëerd in eigen land.

Het Angelsaksische geld-denken heeft zijn langste tijd gehad. Er dient een meer Rijnlands georiënteerd ‘ecosysteem’ tot ontwikkeling te worden gebracht van zorgzaam kapitalisme. Daarbij dienen waardecreatie, extra economische activiteit en maatschappelijke meerwaarde te worden verdisconteerd. Ook de actuele problemen die Nederland bedreigen moeten worden meegenomen in de afweging.

Zo is het noodzakelijk iets te doen aan de woningmarkt en het schuldniveau van huishoudens. Huizenprijzen liggen momenteel zo’n 75 procent boven het langjarig gemiddelde: mondiaal uitzonderlijk. De hypotheekschuld van 138 miljard in 1996 was in 2009 opgelopen tot zo’n 650 miljard en is nog steeds zo hoog. Onze staatschuld mag bescheiden zijn, door onze hoge private schuld staan we toch in de mondiale schuldentop (vergelijkbaar met Griekenland).

Weliswaar compenseren we deze enorme schuld met ons pensioenvermogen, maar wat gebeurt er als dit vermogen slinkt? Hoe dan ook gaat een te hoog percentage van ons inkomen op aan woonlasten. Dat remt de consumptie. Los daarvan zijn koophuizen voor jongeren haast onbetaalbaar geworden en is er gebrek aan goedkope huurwoningen. In plaats van te juichen over de aantrekkende huizenmarkt zou het dus verstandiger zijn onze woningmarktgezond te maken. Ook in het belang van de pensioenleden en kinderen.

Een eenvoudige manier om te ontschulden en de Nederlandse huizenmarkt weer duurzaam te maken, is dat pensioenfondsen daartoe een substantieel deel van hun vermogen inzetten – in totaal misschien wel zo’n 200 miljard euro.

Daar hebben de fondsen weliswaar een bescheiden begin mee gemaakt, maar er ontbreekt een helder gecoördineerd beleid en een visie op de woning- en vastgoedmarkt als geheel – en de positie van banken daarin. Stevig investeren in betaalbare sociale woningbouw is een andere optie; zeker met het oog op de vluchtelingenproblematiek.

De tijd is daar dat de Nederlandse pensioenfondsen met een realistisch én aansprekend verhaal komen over de toekomst van onze pensioenen en daarbij ook anderen betrekken. Mensen zijn best bereid om offers te brengen, zeker als dit ten goede komt aan hun leefwereld en die van hun kinderen en naasten. Dit zou ook nog eens getuigen van collectief denken, waar op dit moment grote behoefte aan is. Bovendien zouden de pensioenfondsen daarmee opnieuw hun maatschappelijke taak bevestigen en duidelijk maken ‘waartoe zij op aarde zijn’.