Column

Ongelijkheid is een feit, maar het moet geen vloek worden

En nu blijken er ook nog eens 2,5 miljoen laaggeletterde medeburgers in ons midden te zijn. Zij beheersen de Nederlandse taal onvoldoende. De schatting, afgelopen week door de Algemene Rekenkamer, is een deprimerend voorbeeld van ongelijkheid.

Onderzoeken als die van de Rekenkamer, en vorige week van de Onderwijsinspectie over de kans op het beste onderwijs voor alle kinderen, houden Nederland een spiegel voor. Dat was mede de aanleiding voor een serie verhalen deze week in NRC over de kloof in Nederland. Ook internationaal staat ongelijkheid op de agenda. De Franse econoom Piketty voorspelde drie jaar geleden in een geruchtmakend boek groeiende vermogensverschillen en de concentratie van politieke invloed bij een nieuwe geldelite.

Het goede nieuws: de ongelijkheid hier is niet zo extreem als bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, waar buitenissige rijkdom samengaat met wijd verspreide, hardnekkige armoede.

Maar ook Nederland kent ongelijkheid, hier en daar zelfs grove ongelijkheid. Soms is ongelijkheid zichtbaar, zoals in huisvesting: koophuizen versus sociale huur. Al is het ook goed om te weten dat tegen de 60 procent van de Nederlandse huishoudens een koopwoning bezit. Echter, een deel van hen heeft een hypotheek met een hogere waarde dan die van hun woning.

Vaker is ongelijkheid zo zichtbaar niet. De inkomensverschillen groeien een beetje of blijven eigenlijk hetzelfde, het is maar over welke periode je het bekijkt. De verhoudingen zijn, zeker na belastingheffing, tamelijk plat, zoals je van een polderland mag verwachten. De ongelijkheid van vermogens was groot en lijkt toe te nemen, maar valt weer mee als je de pensioenen meerekent.

Schrijnender zijn de verschillen in levensverwachting en onderwijskansen. Vrouwen hebben een hogere levensverwachting dan mannen. En mensen met een hoger inkomen leven langer dan die met lagere inkomens. De aard van het werk speelt daarbij een rol: hoofdwerk versus fysieke arbeid. Maar ook de levensstijl. Roken, alcoholconsumptie en niet bewegen zijn niet gezond.

Elke samenleving zal een zekere ongelijkheid moeten accepteren. Dat vloeit voort uit verschillen in talent, doorzettingsvermogen en ambitie, maar ook uit dom geluk of pech.

Ongelijkheid moet geen vloek worden. Ongelijkheid, ook het gevoel van grove ongelijkheid,voedt onvrede. Dat leidt tot extreme keuzes in het stemhokje of juist tot defaitisme: thuisblijven, want de ‘hoge heren’ luisteren toch niet.

Tegen ongelijkheid (van kansen) blijkt met overheidsbeleid iets te doen. Grote inkomensverschillen worden hier effectief bestreden met belastingen en premies. Stadsvernieuwing en verheffing van achterstandswijken blijken wel degelijk vruchten af te kunnen werpen. De toegang tot de gezondheidszorg is grosso modo voor iedereen adequaat geregeld, ongeacht inkomen. Bij het maken van keuzes voor de beste opleiding van kinderen zullen leerkrachten en ouders de verschillen in ogenschouw moeten nemen: de toekomst laat zich niet op 12-jarige leeftijd al uittekenen.

Een nieuw aspect is de digitale ongeletterdheid. Een op de negen mensen heeft bijvoorbeeld moeite om via de automaat een treinkaartje te kopen. Niet iedereen is, zoals de meeste politici en bedrijfsmanagers, hoog opgeleid. Zij denken vrijwel vanzelfsprekend, volgens de eigen normen en waarden, dat elke burger zelfredzaam is. En moet zijn. Dat is een mentale kloof die zich niet met geld, beleid of regels laat dichten. Dat moet men zelf leren.