Muziek is goed voor het karakter

De veelzijdige pianist en dirigent Daniel Barenboim (73) ontwikkelde muziekcrèches en een jeugdorkest. Omdat muziek ons alles kan leren. „Als je iets te zeggen hebt, zeg het. Verder moet je luisteren.”

Lastig vast te pinnen is hij, de Argentijns-Israëlische pianist/dirigent Daniel Barenboim. Als je hem belt, loopt hij net zijn hotel uit. Of hij blijkt onbereikbaar ontsnapt naar de belendende suite, om piano te studeren. Nog altijd is zijn agenda duizelingwekkend vol – al zegt hij het „best iets rustiger aan te willen gaan doen”. Maar dat is straks, en nu is nu.

U gaf in Berlijn pas een concert voor vluchtelingen, samen met dirigenten Simon Rattle en Iván Fischer. Gelooft u dat muziek een rol kan spelen in het keren van politiek tij?

„Nee, muziek is nooit een ‘politiek middel’. Muziek is muziek. Je kunt haar niet misbruiken voor iets anders dan zichzelf. Maar muziek heeft wel de mogelijkheid mensen te inspireren, en zo misschien ook tot een andere houding aan te zetten. Neem mijn eigen West Eastern Divan Orchestra, waarin jonge musici uit het Midden-Oosten samenspelen. Dat bestaat nu 17 jaar en heeft honderden mensenlevens veranderd. Omdat ze hun passie – muziek – gedeeld hebben met de ‘vijand’ en die door de muziek hebben leren kennen als medemens.”

Toen ik u tien jaar geleden sprak, hield u een vurig pleidooi voor meer engagement. Mensen zouden meer Spinoza moeten lezen. Vindt u dat nog steeds?

„Jazeker, ik ben daar alleen maar uitgesprokener in geworden. Mensen lezen steeds minder. Ook voor de toekomst van de muziek is dat een groot probleem. Muziekeducatie wordt steeds minder belangrijk gevonden, waardoor er minder toekomstig publiek is. Op conservatoria wordt juist te eenzijdig gewerkt aan muzikale ontwikkeling, met nauwelijks ruimte voor alles daarbuiten. Als ik het somber stel krijg je dus concerten van musici die alleen iets van muziek snappen voor een publiek dat niks weet van muziek. Dus ja, een beetje pessimistisch ben ik inmiddels wel.”

Heeft u zelf nooit een politieke carrière overwogen?

„Hemel nee! (bulderlach) Ik ben ook alleen uitgesproken over plaatsen waar ik vandaan kom en zaken die me bijzonder aan het hart gaan. Dáár probeer ik op kleine schaal iets bij te dragen. Zo ben ik in 2002 in Ramallah begonnen met een muzikale crèche, en in 2005 ontstond er ook een in Berlijn. Die laatste vierde onlangs het tienjarig bestaan. De peuters van toen zijn nu veertien. 80 procent van die pubers was nog steeds met muziek bezig, bleek. Ze zongen in een koor of bespeelden een instrument. Daar was ik heel blij om, want dat bewijst dat die crèches zin hebben. Op dit moment onderzoek ik ook mogelijkheden om met musici van de Staatskapelle samen te gaan werken met een basisschool in Berlijn, waar muziek dan een volwaardig onderdeel moet worden van het curriculum.”

Vindt u dat er genoeg draagvlak is voor het belang van muziekeducatie? In Nederland is wat dat betreft een positieve omslag gaande.

„Het probleem is dat de huidige generatie politici zelf doorgaans geen goed muziekonderwijs heeft gehad. Hoe kan je dan verwachten dat ze er het belang van inzien? In Duitsland zijn we gezegend met een bondskanselier die frequent opera’s en concerten bezoekt, maar dat is een uitzondering.”

Als advocaat van de duivel zeg ik dan: leuk, muziek. Maar kinderen moeten vooral leren lezen en schrijven.

„Maar muziek is net zo essentieel voor de menselijke ontwikkeling! Voor karakteropbouw, bijvoorbeeld, in zowel rationeel als emotioneel opzicht. Muziek dwingt je denken en voelen in balans te houden. Dat geldt zowel voor zelf muziek spelen als voor luisteren. In die zin is een symfonieorkest ook een levensleermeester. Neem een symfonie van Brahms: eerst heeft de hobo de hoofdstem, daarna krijgt hij een begeleidende rol en neemt, bijvoorbeeld, de klarinet de leiding over. Zo is het in het leven ook. Als je iets te zeggen hebt, zeg het. Verder moet je luisteren, leren te luisteren. En dat is maar een klein voorbeeld.”

U trekt in uw boek ‘Explorations and Paradoxes’ (2003) een parallel tussen tempo in muziek en tempo in bepaalde politieke processen. Soms mislukt iets omdat de gang van zaken te langzaam is geweest. Hoe beziet u wat dat betreft nu het Palestijns-Israëlische conflict?

„De positie van de Israëlische regering is zodanig verhard dat ik niet meer geloof in een goede afloop. Ik denk ook dat een groot deel van de Israëlische bevolking de noodzaak tot vrede niet meer voelt. Ze denken dat de tijd uiteindelijk wel in hun voordeel zal werken. Voor een groot deel van de Palestijnse bevolking geldt hetzelfde. Er is geen leider, in Israël noch Palestina, die nog echt gelooft dat vrede onontbeerlijk is. Daarmee is het in essentie een menselijk, sociaal probleem geworden – geen politieke kwestie. Het gaat om twee volkeren die uiteindelijk met of naast elkaar moeten zien te gaan leven, in plaats van rug aan rug.”

U bent sinds 24 jaar Generalmusikdirektor van de Staatsoper en blijft daar tot 2022, uw benoeming bij de Staatskapelle is voor het leven. Wat is de meerwaarde van zulke lange verbintenissen?

„Zulke lange relaties zijn ongewoon geworden, want de wereld gaat snel. Maar persoonlijk geloof ik dat de actuele trend om al na een paar jaar van chef-dirigent te wisselen, helemaal niet goed is voor orkesten. Wanneer een orkest en een dirigent goed bij elkaar passen, is een lange samenwerking juist vruchtbaar. Je moet alleen weggaan om twee redenen. Eén: als het orkest zijn nieuwsgierigheid verliest naar wat je te zeggen hebt. Twee: als je zelf de nodige energie verliest. Ik prijs me gelukkig in een situatie waarin beide redenen ontbreken. En mocht ik gaan voelen dat ze me beu zijn, ben ik heus de eerste die opstapt.”

Heeft u speciale muzikale dromen voor de komende tien jaar?

„Geen idee. Maar voor over veertig jaar weet ik het precies! Dan ga ik me vooral wijden aan eigentijdse muziek (schatert). Maar in ernst: er zijn natuurlijk veel werken die ik graag nog eens zou uitvoeren. De Hohe Messe van Bach is zo’n stuk. God weet hoe ik het eraf zou brengen. En van dat soort wensen zijn er nog zeer vele.”

Zoals Wagners ‘Ring des Nibelungen’ in 2020. U wilt er een brengen aan de Staatsoper, de Deutsche Oper in West-Berlijn wil dat óók. Daar is nu gedoe over, want een Ring is duur. Waarom is dat project belangrijk voor u?

„Die kwestie is eigenlijk te futiel om over te praten. Berlijn is er trots op de internationale hoofdstad van de muziek te zijn. Waarom dan niet de kans aangrijpen twee Ring-cycli simultaan te brengen? Genoeg Wagner-liefhebbers uit binnen- en buitenland zouden dat een topattractie vinden! Ik vind het provinciaals er een conflict van te maken. In 1992 waren er in Berlijn ook twee Ring-cycli te zien: één onder regie van Harry Kupfer en één door Götz Friedrich. Toen was iedereen daar zeer trots op. Ik verwacht dat ook deze storm zal luwen, en beide Ring-producties er gewoon komen.”

Zondag speelt u in de serie Meesterpianisten op een nieuwe vleugel van de Belgische bouwer Chris Maene. Hoezo?

„Sinds 1875 hebben vleugels bassnaren die diagonaal over de andere registers heen lopen. Ik bedacht dat als die bassnaren recht zouden lopen, dat dat de helderheid van de klank wellicht ten goede zou komen. Ik heb op een van Liszts rechtsnarige instrumenten gespeeld, en die bezat inderdaad die extra helderheid. Maene heeft op mijn verzoek in samenwerking met Steinway toen die oude opzet gecombineerd met moderne foefjes. Voor mij was het een interessant en geslaagd experiment. Soms kun je iets zachter spelen, soms juist harder – je kunt de textuur meer variëren. Maar luister zondag vooral zelf om het te ervaren!”

U speelt Beethoven, Schubert, Liszt en Chopin – is dat repertoire bij het instrument gekozen?

„Ik heb pas de complete sonates van Schubert gespeeld , nu wilde ik graag een programma waarin weer meer variatie zou zitten. Maar ik ben ook gewoon praktisch. Ik heb dit programma net opgenomen, die cd verschijnt later dit jaar.”