Martelaren hielden de roman in leven

De roman leek verdwenen in de vroege Middeleeuwen. Maar de roman leefde ook na de Late Oudheid voort, in de hagiografieën van martelaren als de heilige Cecilia.

Gebrandschilderd raam van de heilige Cecilia, de patroonheilige van musici. Foto Istock

In de geschiedenis van de roman zit een gat van zevenhonderd jaar. De handboeken literatuurgeschiedenis vertellen dat de Aethiopica de laatste roman uit de Oudheid is geweest; deze in het Grieks geschreven liefdesgeschiedenis van de Syriër Heliodorus van Emesa verscheen rond 350. Daarna zou het genre lange tijd niet meer hebben bestaan. „Pas in het elfde-eeuwse Perzië en het twaalfde-eeuwse Byzantium zou de roman een nieuw leven zijn begonnen”, zegt classicus Koen De Temmerman, hoogleraar aan de Universiteit Gent.

Zelf denkt De Temmerman het gat te kunnen dichten: „Met christelijke martelaarsakten en heiligenlevens.” In zijn onderzoeksproject Novel Saints onderzoekt hij met twee promovendi en twee postdocs hoe in het Mediterrane gebied in de Late Oudheid en de Vroege Middeleeuwen romantechnieken zijn overgenomen, aangepast en hergebruikt om heiligen als helden voor te stellen. Daarvoor heeft De Temmerman bijna anderhalf miljoen euro gekregen van de European Research Council (ERC), die in de Europese Unie overheidsgeld uitdeelt voor wetenschappelijk onderzoek.

Literatuurwetenschappers gaan er van uit dat de roman als literaire vorm in de Late Oudheid verdween, omdat christenen niet van deze heidense literatuur gehouden zouden hebben. „De antieke romans zijn verhalen over de avonturen van liefdesparen die bedreigd worden door gevaren van buitenaf zoals piraten en bordeelhouders. Ze zouden voor christenen te frivool en thematisch niet interessant zijn geweest”, legt De Temmerman uit. Liever lazen christenen heiligenlevens, die volgens literatuuronderzoekers geen aandacht hebben voor karakterbeschrijving en vol stereotypen zitten.

De ruim veertigduizend bekende heiligenlevens, verzameld in het Vollständiges Heiligen-Lexikon (1858-1882) en de Acta Sanctorum (sinds 1643 zijn 68 delen in folioformaat verschenen), zijn daarom vooral gebruikt voor allerlei historisch onderzoek, bijvoorbeeld naar een cultus, de positie van de vrouw in die tijd en als bron voor mentaliteitsgeschiedenis. Maar De Temmerman en zijn team ontdekken nu in de heiligenlevens ook literaire kwaliteiten zoals geïndividualiseerde karaktertekeningen en een spel met de verwachtingen van de lezers. Als voorbeeld geeft De Temmerman de Passio Caeciliae (het lijden van Cecilia) uit de vijfde eeuw, waarover hij onlangs met twee anderen (Annelies Bossu en Danny Praet) in het Nederlandse vaktijdschrift Mnemosyne een artikel heeft gepubliceerd.

Op het eerste gezicht is het verhaal eenduidig christelijk: de heilige Cecilia, die moet trouwen met Valerianus, weet in de huwelijksnacht niet alleen haar maagdelijkheid te bewaren maar bekeert ook haar kersverse echtgenoot tot het christendom. Later bekeren ze ook Valerianus’ broer Tiburtius, om uiteindelijk alle drie de martelaarsdood te sterven.

Erotische vertellingen

De Temmerman zegt: „Maar de tekst is ook literair gezien interessant. Cecilia heeft retorische kwaliteiten. Hierdoor krijgt ze een dominante positie in haar huwelijk en weet ze haar doelen te bereiken. Ook bevat de Passio verwijzingen naar erotische vertellingen met overspel. Cecilia vertelt bijvoorbeeld Valerianus in de huwelijksnacht dat ze al een minnaar heeft – een engel Gods. Als Valerianus, die denkt dat de engel een sterfelijke boodschapper is, haar en haar ‘amator’ dreigt te doden, draait Cecilia de zaak om: als Valerianus seks met haar heeft, loopt juist hij gevaar, want dan krijgt hij te maken met de woede van de engel.”

Het spel met literaire conventies in de christelijke heiligenlevens kwam echter niet uit de lucht vallen, aldus De Temmerman. „In vroegchristelijk verhalend proza uit de tweede en derde eeuw werden ook al motieven uit de romans gebruikt.” Zo raakt in de Acta Pauli et Theclae (Handelingen van Paulus en Thekla) zo onder de indruk van de apostel Paulus dat ze haar verloofde verlaat en Paulus volgt. „Dat doet denken aan liefde op het eerste gezicht in de liefdesroman. Verder is ook hier een echtbreker in het spel; niet een buitenstaander, zoals in de romans, maar de held van het verhaal, Paulus, die kuisheid in het huwelijk predikt. Er is dus een omkering van waarden: de Handelingen ondermijnen het aardse huwelijk dat de romans zo bejubelen.”

Gebruikten de auteurs van de heiligenlevens bewust romanmotieven? De Temmerman denkt van wel. „In ieder geval in het Griekse taalgebied. De tiende-eeuwse Passio van Galaktion en Episteme kan zelfs als een direct vervolg gezien worden op de roman Kleitophon en Leukippe van Achilles Tatios, een populaire romanschrijver uit de tweede eeuw.” Net als in de oorspronkelijke roman is in de Passio een ik-verteller aan het woord. Hij vertelt over het huwelijk van Kleitophon en Leukippe, alleen is de hevige liefde veranderd in onderlinge vijandschap, omdat Leukippe geen kinderen kan krijgen. Een monnik belooft dat Leukippe zwanger wordt als ze zich tot het christendom bekeert. Als ze dat doet en zwanger wordt, bekeert ook Kleitophon zich. Ze krijgen een zoon, Galaktion, die uiteindelijk met zijn vrouw Episteme martelaar wordt. „Hier is sprake van een spel tussen het christelijke verhaal en de oorspronkelijke roman.”

Literair gezien een van de interessantste verhalen vindt De Temmerman de Narrationes van (Pseudo-)Neilos. „Een monnik doet in de ik-vorm zijn verhaal. In het begin zegt hij dat hij zijn vertelling als een soort therapeutisch middel ziet en dat hij in literatuur troost vindt. De monnik had zijn gezin achtergelaten om met een zoon in de Sinaï als monnik te gaan leven. Rovers overvielen het klooster, namen zijn zoon mee en slachtten de andere monniken af. Uiteindelijk vond de monnik zijn zoon terug en keerde terug naar huis. Daar is hij priester geworden. Het verhaal heeft een speciale christelijke boodschap: een goede christen trekt zich niet terug in de woestijn, maar zet zich in voor de maatschappij.”

Grieks, Koptisch, Arabisch, Perzisch

De Narrationes stammen waarschijnlijk uit de vijfde of zesde eeuw. „Maar heiligenlevens zijn vaak lastig te dateren. Soms lopen de dateringen, onder andere op basis van vermeldingen van bekende zaken zoals keizers, van de vierde eeuw tot de achtste eeuw.” Dat maakt het voorlopig lastig om precies te schetsen via welke wegen de roman zich van de Late Oudheid tot de Byzantijnse tijd heeft ontwikkeld. In grote lijnen is de ontwikkeling wel duidelijk. „Via het Griekse taalgebied en Syrië, waar velen tweetalig waren, verder oostwaarts.”

Via het Koptisch en de Arabische hagiografie lijkt er ook een link te zijn tussen de Griekse en Perzische roman. „In 2003 publiceerden een classicus en een iranist een studie waarin ze aantonen dat het elfde-eeuwse Perzische liefdesverhaal van Vamiq en Adhra in feite een kopie is van de roman Metiochus en Parthenope uit de Late Oudheid. Een Koptische tekst en het in het Arabisch overgeleverde heiligenleven van Bartanuba waren de schakels.” Voor De Temmerman reden om ook twee oriëntalisten bij zijn project te betrekken. „Ik denk dat hun inbreng tot bijzondere resultaten zal leiden.”