Makers van reality-tv hebben te veel macht

De rechter moet volgens Linda Duits oog hebben voor de praktijk van reality-tv: vernedering en privacyschending.

Foto Kippa

De discussie over ethiek en realitytelevisie is ouder dan realitytelevisie zelf. Over programma’s als The Jerry Springer Show werden vergelijkbare discussies gevoerd: waarom doen mensen mee en is dit niet gescript? Reality is in menig opinieartikel gehekeld, waarbij de auteurs vruchtbaar gebruik maakt van het fenomeen om zijn eigen goede smaak en zeden te onderstrepen.

Die neerbuigende houding gaat zelden gepaard met sympathie voor de deelnemers. ‘Hij wist waar hij aan begon’ is het standaardverweer als iemand toch eens oppert dat een programma wellicht te ver is gegaan in de bejegening van kandidaten. Dit wordt in de wetenschappelijke literatuur het ‘consent defence’-vertoog genoemd. Ook rechters zijn die mening toegedaan, zo blijkt uit twee recente vonnissen.

Een deelnemer aan Idols en een deelnemer aan Mijn Leven in Puin klaagden FremantleMedia aan. De Idols-deelnemer deed auditie voor de jury die hem uitgebreid uitlachte. De rechter oordeelde dat hij een overeenkomst had ondertekend waarin hij verklaarde op de hoogte te zijn van de aard van het programma. Hij had moeten weten dat ook slechte prestaties uitgezonden worden.

De deelnemer aan Mijn Leven In Puin claimde dat ze onder druk was gezet en niet goed wist wat ze tekende. Dit achtte de rechter niet aannemelijk.

Vanuit mediawetenschappelijk perspectief is het echter twijfelachtig dat deze deelnemers konden overzien waarmee ze instemden. Het is daarbij zorgelijk dat de rechtbank zich laat leiden door uitgezonden beelden en niet door de productiepraktijk.

In tegenstelling tot wat de uitzending doet vermoeden, is het niet de jury van Idols die bepaalt welke mensen op televisie te zien zullen zijn. De redactie schift eerst de aanmeldingen op de behoeften van het format – niet op zangtalent. Ze zoeken naar heftige persoonlijkheden, liefst met een bijzonder levensverhaal, die kunnen functioneren in een studiosetting. Minder dan twintig procent van de mensen die worden uitgenodigd voor de pre-casting verschijnt voor de jury, zo blijkt uit Noors onderzoek. Daarvan is 1 op de 5 gekozen vanwege sociale ongemakkelijkheid of gebrek aan talent. In de uiteindelijke uitzending worden ze neergezet als onnozele losers. Bij de deelnemer die naar de rechter stapte gebeurde dat ook: er werd gesteld dat hij zes uur te laat kwam.

De rechter in de Idolszaak vond de auditie „ronduit slecht” – maar die opvatting is irrelevant

Mijn Leven In Puin is een programma waarin kijkers een intieme blik krijgen in het leven van mensen met een stoornis, in dit geval verzamelwoede. Ook hier geldt dat de deelnemers in de eerste plaats moeten voldoen aan de wensen van de makers: interessant en kneedbaar zijn. Die logica van reality is een van de redenen waarom participanten niet bij machte zijn in te stemmen met deelname.

In het consent defence-vertoog wordt verondersteld dat het publiek de regels van het genre kent. Genre-geletterdheid is echter afhankelijk van opleidingsniveau, interesse en ervaring. Deelnemers zijn niet noodzakelijk kijkers van het genre. Bovendien is de productiekant van reality niet te achterhalen via televisie. De vele blikken die Idols de kijker ‘achter de schermen’ biedt zijn misleidend. Ook die zijn zorgvuldig geregisseerd en gemonteerd. Ze geven de kijker een vals idee mediawijs te zijn. De aandacht ligt steeds op de deelnemers en het productieteam blijft buiten beeld.

Conflict is de drijvende kracht van het genre. Programmamakers lokken doelbewust emoties uit. Ze bouwen een vertrouwensrelatie op met deelnemers die ze vervolgens misbruiken om spraakmakende televisie te kunnen maken. Daar is het de makers immers om te doen. Door het stellen van suggestieve vragen, het weglaten van bepaalde gebeurtenissen of juist via een voice-over een bepaald aspect aan te dikken zorgen makers er voor dat hun versie van de werkelijkheid wordt uitgezonden. Die hoeft niet overeen te komen met hoe deelnemers de opnames hebben ervaren.

Makers zijn gebonden aan de esthetiek van het genre, die – volgens de Vlaamse communicatiewetenschapper Jelle Mast – een structurele context van vernedering, misrepresentatie en schending van het privédomein impliceert. Deelnemers moeten een contract te tekenen dat hen bemoeilijkt bezwaar te maken tegen de uitbuiting die daar onlosmakelijk mee verbonden is. Dat contract beschermt de makers. In de twee recente vonnissen kozen rechters hun kant, zonder oog te hebben voor de ongelijke machtspositie die zij innemen. De asymmetrische zichtbaarheid leidt dus tot asymmetrische verantwoordelijkheid: de deelnemer draagt de volle verantwoordelijkheid van deelname, de producenten blijven grotendeels buiten schot.

De rechter in de Idolszaak voegde aan haar uitspraak toe „dat de auditie van [eiser] ronduit slecht was.” Dat is niet alleen irrelevant, maar laat ook zien dat zij niet begrijpt wat het format van Idols inhoudt, terwijl ze tegelijkertijd veronderstelt dat kandidaten dat wel weten.