‘Leuk dat je in de moskee bent!’

Arabist en journalist Maarten Zeegers praat over zijn boek over de islamitische, Haagse Transvaalbuurt. Hij deed zich voor als praktiserend moslim. „Wij moslims hebben een verborgen agenda!” noteert hij uit de mond van de imam.

Maarten Zeegers: „Zodra je de islam binnentreedt, heb je direct overal vrienden.” Foto Ruud Pos

De gebedsoproep die vrijdag door de straten schalt. Blote armen van een vrouw op een reclameposter die zijn gekuist met zwarte graffiti. Een gemeenteraadslid dat stemmen probeert te winnen van jihadisten door te zeggen dat hij voor de sharia is. Een vrachtauto die bij het achteruitrijden als waarschuwingstune een koranvers laat horen. In het Transvaalkwartier is de islam overal aanwezig.

Toen journalist en arabist Maarten Zeegers er vier jaar geleden kwam wonen, merkte hij dat hij als autochtone man van begin dertig een vreemd gezicht was in de Haagse wijk. 90 procent van de inwoners is van buitenlandse komaf, van wie driekwart moslim. Een jongen vertelde hem dat hij tot zijn veertiende nooit een autochtoon had gesproken, op een politieagent na.

Zeegers, die 2,5 jaar in Syrië studeerde en onder meer in NRC en de Volkskrant publiceerde, wilde weten wat die segregatie betekent voor de inwoners van deze wijk en voor hun beleving van de islam. Nu verschijnt het boek dat hij erover schreef: Ik was een van hen.

Het is een schets geworden van een islamitische gemeenschap die anno 2016 tot in het extreme verzuild is geraakt. Zeegers beschrijft van binnenuit de enorme diversiteit aan islamstromingen in de wijk, die soms onderling ruziën over wie de juiste versie van het geloof aanhangt. Hij laat ook zien hoe de voormalige blanke volkswijken Transvaalkwartier en Schilderswijk zijn veranderd in een soort eilanden waar de kloof tussen moslim en niet-moslim steeds groter wordt.

Aanvankelijk wilde het niet zo lukken met het boek. Zeegers werd als niet-moslim weggekeken in moskeeën. Dat verandert wanneer hij besluit zich voor te doen als praktiserend moslim. Hij laat zijn baard groeien, eet alleen nog varkensvlees met de gordijnen dicht en zorgt dat hij niet meer gezien wordt naast zijn ongesluierde vrouw (die bovendien graag zomerjurkjes draagt).

Salamoe aleikoum

Zeegers merkt meteen verschil. Marokkaanse jongens die hem in de tram agressief bejegenen, veranderen van toon wanneer hij hen begroet met het islamitische salamoe aleikoem. Ook merkt hij dat de tientallen islamitische stromingen in de wijk hem graag bij hun broederschap willen inlijven, alle deuren gaan open. „Het voelde als een warm bad”, vertelt Zeegers. „Hiervoor woonde ik in het Statenkwartier, waar ik na drie jaar nog niet wist wie er drie huizen verderop woonde. Zodra je de islam binnentreedt, heb je direct overal vrienden. ‘Hé broeder Maarten, wat leuk dat je er bent’, hoor je dan in de moskee, ‘blijf nog even hangen, dan gaan we zo een cheeseburger eten’. Daar kom je dan Hassan van de snackbar tegen die weer familie blijkt van je overbuurvrouw. Het is allemaal superhecht.”

Net zo hecht als de volkswijken van vroeger, tot de jaren tachtig nog bevolkt door blanke arbeiders. Die trokken weg naarmate er steeds meer migranten kwamen. Nu ziet Zeegers hetzelfde gebeuren. „Er komen Polen en Bulgaren wonen en je hoort de Turken nu precies hetzelfde zeggen: het is niet meer de wijk die het was met al die buitenlanders. Ze pikken onze banen in, je verstaat ze niet, ik denk dat ik ergens anders ga wonen.”

Terwijl Zeegers als ‘undercovermoslim’ aan het boek werkte, kwam zijn buurt diverse malen landelijk in de aandacht. Er waren rellen tegen de politie, demonstraties van jihadisten en voormalig Trouw-journalist Perdiep Ramesar beschreef de wijk als een ‘shariadriehoek’ waar moslims hun regels aan anderen zouden opleggen. Zeegers heeft van dat laatste nooit iets gemerkt. Er worden geen regels opgelegd, wel is er sociale druk en worden moslims overstelpt met „adviezen”, zegt hij. Dit speelt zich met name af binnen het salafisme, een conservatieve islamstroming die onder een deel van de jongeren populair is. Salafistische imams adviseren de jongeren geen muziek te luisteren, hun verjaardag niet te vieren, geen kerstboom te kopen – want dat zijn heidense feesten. Tegelijkertijd zijn de jongeren volgens Zeegers sterk genoeg om eigen keuzes te maken. Zo werd een tienermeisje door een salafist aangesproken omdat ze make-up droeg tijdens de Ramadan. „Dat zat er al op vóór de Ramadan”, reageerde het meisje bijdehand.

De traditionele moskeeën maken zich zorgen over de opkomst van het salafisme. „Het is een generatieconflict”, zegt Zeegers. „Ouders zijn hier komen werken en genieten nu dankbaar van hun pensioentje. Maar de jongere generatie is hier opgegroeid, en ziet dat zij niet dezelfde kansen hebben als autochtonen. In het salafisme vinden zij een manier om zich af te zetten tegen de samenleving en hun ouders.”

De hand van jouw dochter

De jongeren gedragen zich heel islamitisch, maar vermengen hun geloof met een Nederlandse levensstijl, zag Zeegers. „Verkering mag niet, dus ze sluiten snel een huwelijk en als het niet meer leuk is gaan ze uit elkaar – net als een verkering dus.” Hij herinnert zich een gesprek in de snackbar met een salafist van in de twintig, die een zestienjarig meisje wilde trouwen. „Die jongen belde in de snackbar haar vader op: ‘Ewa, mag ik de hand van jouw dochter?’. De vader vond zijn dochter te jong. ‘Nee joh’, zei die jongen, ‘je weet toch, de profeet trouwde ook met Aisha toen ze jong was’. In elk islamitisch land zou het ondenkbaar zijn om zo met ouders om te gaan, maar deze jongeren hebben de islam vermengd met westers individualisme.”

Zeegers trok maanden op met een jongen die uiteindelijk naar Syrië vertrok, net als tientallen andere jongeren uit de buurt. In het boek wordt duidelijk dat de salafistische imams worstelen met de jihad. Ze zijn fel tegen terreurgroep IS en proberen te voorkomen dat jongeren naar Syrië uitreizen. Tegelijk vinden ze wel dat er sprake is van een legitieme jihad in Syrië, omdat hun geloofsbroeders daar worden onderdrukt. In preken wordt daarom met veel eerbied gesproken over de jihad, beschrijft Zeegers. Na afloop van het vrijdaggebed wordt God aangeroepen om de jihadstrijders overal ter wereld te zegenen, óók in Syrië. Het martelaarsschap wordt omschreven als de sleutel tot het paradijs. „Maar als een Nederlandse jongere naar Syrië wil, dan mag het opeens niet meer”, constateert Zeegers. „Dat kun je dubbel noemen.”

Haatdragende passage

De oorlog in Syrië heeft ook impact op de relatie tussen soennieten en shi’ieten in de wijk, die in Syrië en Irak met elkaar in een burgeroorlog verwikkeld zijn. Zeegers was bij een vrijdagpreek in de salafistische As Soennah-moskee, waarbij de imam shi’ieten uitmaakte voor heidenen, moordenaars en verkrachters. Toen Zeegers de vertaling van de preek op internet zag, was deze haatdragende passage uit de preek verwijderd. In de Quba-moskee, ook salafistisch, wordt tegen jongeren gezegd dat ze niet te close met ongelovigen mogen omgaan. Als er toch contact is, moeten zij de islam aanprijzen. „Gaat het over het weer, zeg dan: heel mooi, maar weet je wat ook heel mooi is: de islam. Wij moslims hebben een verborgen agenda!”, noteert Zeegers uit de mond van de imam, die volgens hem erg grappig kan zijn.

Aan het slot van zijn boek schrijft Zeegers dat hij zich zorgen maakt over zijn land. „Een wijk als Transvaal heeft zich ontwikkeld tot een soort eiland dat weinig meer met Nederland te maken heeft”, is zijn conclusie. De meeste jongeren voelen zich geen Nederlander. De rellen vorig jaar in de Schilderswijk ziet Zeegers niet als een incident, maar als gevolg van een breder maatschappelijk probleem. „Er wordt een wig gedreven in de samenleving”, zegt Zeegers, „en in Transvaal zag ik dat die samenleving langzaam aan het splijten is.”

Zeegers woont inmiddels in een andere stad, die hij geheim houdt. Hij is bang voor represailles. Drie jaar lang heeft hij zijn Haagse moslimomgeving voorgelogen. „Toen ik vertrok, barstte mijn buurvrouw in tranen uit. Dan denk je wel: oh, shit. Ik heb op haar kinderen gepast, en tegelijkertijd een toneelstukje opgevoerd. Maar spijt kan ik het niet noemen. Dan had ik dit boek niet moeten uitbrengen.”