Laat u niet in de hoek drijven

Integratie is een lange, pijnlijke weg. Pas onderweg op voor de verleiding van vooroordelen, schrijft Rutger Lemm. „Doorbreek de wedloop van wantrouwen, blijf in het midden.”

Foto's Andreas Terlaak

Onlangs zat ik in een trein die langzaam Amsterdam Centraal naderde. Sommige mensen gingen alvast ongeduldig in het gangpad staan wachten; naast mijn zitplaats stond een vrouw met kortgeknipt haar en een zuinig mondje. Toen ik mijn jas aandeed, tikte ik per ongeluk met mijn elleboog tegen haar tas. De vrouw keek verschrikt achterom, zag mij zitten en trok haar bezit beschermend tegen zich aan.

Op dat moment had ik zin om haar tas te stelen.

De diepe irritatie over haar onterechte vooroordeel – een jongeman met een stoppelbaard en grote zwarte wenkbrauwen is een dief – zette zich vrijwel direct om in het verlangen om aan dat vooroordeel te voldoen. Ik wilde die tuttige handtas van haar arm rukken en de inhoud door de trein smijten, terwijl ik ‘Heb je nu je zin?!’ in haar gechoqueerde gezicht zou schreeuwen. De impuls om negatieve verwachtingen waar te maken, is soms sterker dan de aandrang om het tegendeel te bewijzen. Angst wordt zo vaak een self-fulfilling prophecy.

Dit voorval schoot door mijn hoofd na de aanslagen in Brussel. We leven in een tijd van groeiend wantrouwen, waarbij extremisten aan beide kanten elkaar steeds dieper in hun hoek drijven. Jihadisten plegen een aanslag, waarna populisten zeggen: ‘Zie je wel? Ze haten ons’. De populisten kondigen hierop harde maatregelen aan, waarna de jihadisten zeggen: ‘Zie je wel? Ze haten ons’. Zo worden nachtmerries werkelijkheid: de wreedheid en agressie van IS is bijna karikaturaal en jaagt zelfs Al-Qaeda angst aan; het populisme van Donald Trump lijkt door dezelfde cartoonist te zijn bedacht. De rest van de mensheid zit daar tussenin en vangt het grootste deel van de klappen op. Waar eindigt dit?

Bart de Wever, de rechts-nationalistische burgemeester van Antwerpen, zei na de aanslagen tegen VTM Nieuws: „Ik voel woede, omdat mensen die hier geboren worden en heel goed verzorgd worden, zoiets kunnen doen.” Een jaar geleden verklaarde hij al in het tv-programma Terzake: „Racisme wordt te gemakkelijk ingeroepen als excuus voor persoonlijk falen.” De Wever en andere populisten wijzen ons al jaren zeer terecht op het falen van het integratiebeleid, op de totale onderschatting die aan het ideaal van de multiculturele samenleving ten grondslag ligt. Maar integratie is een lange, pijnlijke weg. Institutioneel racisme, oftewel een systeem van negatieve verwachtingen, kan ervoor zorgen dat dit proces nooit wordt voltooid.

Dit werd geïllustreerd door een ander nieuwsbericht. Een paar weken voor de aanslagen werd in Amsterdam-Zuidoost een Marokkaans-Nederlandse jongen gedood, waarna zijn afgehakte hoofd op de stoep voor een shishalounge werd neergezet. Al snel circuleerde op internet een interview met het slachtoffer, de 23-jarige Nabil Amzieb, dat drie jaar eerder in een blaadje van woningcorporatie Stadgenoot was verschenen. Amzieb liep destijds stage als monteur en verklaarde blij te zijn met zijn werk. Het schrijnende contrast met zijn gewelddadige dood leidde automatisch tot de vraag: hoe kon deze normale jongen in luttele jaren het middelpunt van een oorlog tussen zware criminelen geworden zijn?

Het antwoord is: negatieve verwachtingen. Amziebs levensloop doet denken aan de Amerikaanse serie The Wire, waarin de drugswereld van Baltimore wordt gevolgd. De serie laat zien hoe de Amerikaanse war on drugs een op zichzelf staand economisch, juridisch en politiek systeem heeft gecreëerd. Niemand kan eraan ontsnappen. De vooroordelen – een zwarte jongere uit de sociale onderklasse is een drugsdealer – worden zo onvermijdelijk waargemaakt. Het is een systeem van zichzelf bevestigende angsten, de vleesgeworden nachtmerrie van drugshonden als Richard Nixon.

In Nederland is de realiteit minder hard, maar de situaties in de banlieues van Parijs en de buitenwijken van Brussel doen al meer aan Baltimore denken. Het grote verschil met de Verenigde Staten is in elk geval dat institutioneel racisme hier zelden openlijk besproken wordt. En als het al gebeurt, wordt het snel weggerelativeerd, zoals De Wever deed.

De Wever gelooft in sociale mobiliteit als oplossing voor integratieproblemen. Ik ook. Maar het toverwoord bij de transformatie van Nabil Amzieb is misschien wel: stage. In het interview met Stadgenoot zei hij dat hij graag voor een wooncorporatie wilde blijven werken. Het is niet bekend of hij dat ook geprobeerd heeft, maar een Marokkaanse achternaam helpt in elk geval niet bij een sollicitatie. Bovendien was hij lid van een generatie die het hardst geraakt is door de economische crisis van 2008. Veel jongeren komen niet verder dan een onbetaalde stage, en de werkeloosheid onder jongeren met een allochtone achtergrond is zelfs twee keer zo hoog als onder hun autochtone leeftijdgenoten.

Je gelooft dat een bevolkingsgroep het slechte pad op zal gaan, waarna je omstandigheden creëert waarbinnen dit onvermijdelijk gebeurt. Het is heel moeilijk om aan die negatieve verwachtingen te ontsnappen. En de stap van algemene maatschappelijke onvrede naar moslimterrorisme wordt steeds kleiner.

Ik herken deze druk van vooroordelen vooral uit mijn puberteit. Telkens als ik met mijn groepje jongensvrienden over straat liep, zag ik de achterdochtige blikken van voorbijgangers. Het was een vernederend gevoel, om zo zonder reden als uitschot te worden beschouwd. Maar tegelijk voelde het machtig om mensen angst te kunnen aanjagen. Dus speelden we trouw onze puberrol: we gooiden ruiten in en pleegden winkeldiefstal.

Hoe kun je tegen de radicale islam zijn, terwijl je tegelijkertijd er voor zorgt dat deze verder radicaliseert?

Mijn beste vriend Tim was de meest radicale van ons allemaal. Hij had minder moeite met zijn rol als klootzak, sterker nog: hij omarmde het. En dat terwijl hij de meest toegewijde en strenge ouders van ons allemaal had. Als hij bij mij op bezoek was, belde zijn vader om te controleren of we niet een te gewelddadige film zouden huren. Toen we op een zomerdag naar het Vondelpark gingen, hing zijn moeder uit het raam en riep door de straat: „Passen jullie op jongens? Er worden daar jaarlijks vier mensen vermoord!” Maar Tim deed precies waar zijn ouders bang voor waren, met een bewijsdrang waar ik soms van schrok. Als ik bij hem sliep, slopen we ’s nachts het huis uit en hingen uren rond op straat. Hij gebruikte al op vroege leeftijd harddrugs.

Op een dag had Tim besloten dat hij met iemand wilde vechten, om zijn reputatie als zware jongen te bekrachtigen. Nadat een lid van een vijandelijke jongensgroep hem in de gang een schouderduwtje had gegeven, had hij een aanleiding. Aan het einde van de pauze liep hij vastberaden op zijn doelwit af. „Wat deed je stoer net?” Zijn tegenstander was behoorlijk sterk, maar de blik in Tims ogen deed hem sidderen. Tim gaf hem een duw. De jongen deed niets en zei: „Ik wil niet met je vechten gast.” Tim probeerde er wat van te maken, maar zijn opponent liep steeds achteruit, waardoor zijn vuistslagen slechts lucht en stukjes jas raakten.

Het ging natuurlijk ook niet om die jongen, Tim wilde eigenlijk vechten met zijn ouders. Wanhopig gooide hij er een knullige karatetrap uit, die zijn opponent half op zijn heup raakte. „IK WIL NIET MET JE VECHTEN!” schreeuwde deze nu huilend, en rende de school in.

De ouders van Tim waren zo toegewijd dat het averechts werkte. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden, maar harde heelmeesters vermoorden de patiënt. Dat verbaast me nog het meest: ik kan de redenaties van politici als De Wever en Geert Wilders behoorlijk ver volgen, maar waarom zou je zo’n ineffectieve strategie hanteren? Hoe kun je tegen de radicale islam zijn, terwijl je er tegelijkertijd voor zorgt dat deze verder radicaliseert, en bovendien aantrekkelijk wordt voor gematigde moslims?

Onlangs verscheen in NRC een interview met de Syriëganger Victor Droste, waarin hij aangaf aan dat hij zich in de islam begon te interesseren nadat de PVV in 2010 een grote verkiezingsoverwinning boekte. Rond die tijd was ik zelf aan het daten met een Marokkaans-Nederlands meisje, dat zich langzaam aan haar conservatieve ouders ontworstelde. Ze droeg geen hoofddoek meer, wilde alcohol drinken en met ongelovige jongens als ik uitgaan. Maar door de harde woorden van Wilders voelde ze plotseling de plicht om haar trots als moslim en Marokkaan te verdedigen. Iemand die een paar passen uit haar hoek naar het midden had gezet, schoot weer terug en maakte zo de angst van haar tegenstanders waar.

Journalist Nadia Ezzeroili schreef pas in de Volkskrant dat ze zich geen Nederlander meer voelde, vanwege „het wantrouwen en de achteloze afwijzing”. De Marokkaans-Nederlandse voetballer Hakim Ziyech vond dat hij niet gewaardeerd werd door bondscoach Danny Blind en koos ervoor om voor zijn vaderland uit te komen. Assistent-bondscoach Marco van Basten bevestigde daarop direct de bange vermoedens van Ziyech, door hem „een domme jongen” te noemen. De wederzijdse afwijzing vindt op allerlei niveaus plaats.

Deze krachten versterken elkaar. We vergeten weleens dat Wilders óók geradicaliseerd is. Op social media circuleert zo nu en dan een filmpje uit 2001, waarin Wilders als jonge VVD-woordvoerder bij Barend & Van Dorp op de WTC-aanslagen reageert. „Ik heb niets tegen de islam”, zegt hij onder andere. Het filmpje wordt steeds aangehaald als een bewijs van zijn hypocrisie. Maar ik vergelijk het liever met het stage-interview van Nabil Amzieb in het krantje van Stadgenoot: een ‘voor’-foto die de schrikbarende transformatie duidelijk zichtbaar maakt.

We praten graag over het wantrouwen van populistische politici, maar iederéén moet oppassen voor de verleiding van vooroordelen en karikaturen. Ook voor progressieven en mensen met een allochtone achtergrond ligt het gevaar van een self-fulfilling prophecy op de loer. Zie je wel, hij is gevaarlijk. Zie je wel, ze haten ons.

Daarom was ik enigszins teleurgesteld door het melodramatische afscheid van haar Nederlanderschap waar Ezzeroili haar belangrijke artikel mee begon. Ze moet zich niet laten verleiden tot een ja/nee-antwoord. Hetzelfde geldt voor Ziyech, die ondanks de onhandigheid van de Nederlandse bondscoach zijn trots opzij had moeten zetten. Integratie is zelfs onder de meest gunstige omstandigheden een zwaar proces, dat decennia duurt, en veel opoffering vereist. Maar dan kunnen er mooie dingen ontstaan.

Ezzeroili haalde het beroemde essay Speaking in tongues van Zadie Smith aan, waarin de zwarte Britse schrijver over haar worsteling met haar dubbele identiteit vertelt. Maar Smith worstelde juist met haar verschillende achtergronden, omdat ze geen van beide wilde opgeven. Haar tekst is een ode aan mensen als Barack Obama, die met veel moeite hun verschillende achtergronden weten te verenigen.

In plaats van het bewandelen van deze lange weg, neigen we nu naar een systeem van negatieve verwachtingen. Dat is levensgevaarlijk. IS is de puberzoon van het Westen en het bewijs dat de war on terror net zo averechts werkt als de war on drugs, of welke strijd dan ook die op angst en cynisme gebaseerd is. We moeten deze wapenwedloop van wantrouwen doorbreken. Ik hoop dat iedereen die in het midden staat, zich niet laat verleiden tot deelname aan dit spel.

Laat mij erbuiten. Ik wil niet met je vechten.