Kiezer in de VS ziet weinig in nog meer vrijhandel

De economie trekt aan, maar onder de bevolking brokkelt de steun voor liberalisering van de handel af.

In Berlijn gingen in oktober vorig jaar 50.000 mensen de straat op om te protesteren tegen vrijhandelsverdragen.

Nog steeds is de Amerikaanse handelsgelastigde Michael Froman ervan overtuigd dat hij en zijn Europese tegenhanger, Europees commissaris Cecilia Malmström, het handelsakkoord TTIP tussen de VS en de EU voor het eind van dit jaar tot stand kunnen brengen.

Maar is dat realistisch? Een van de kwesties die meteen aan het begin van de onderhandelingen tussen VS en EU in 2013 ter tafel kwamen, was die van de herkomstbenamingen. De Amerikanen willen daarvoor lossere regels dan de Europeanen. Die laatsten willen dat het woord ‘Parmezaan’ niet op kaas uit, zeg, San Francisco terecht kan komen.

Die kwestie is nog niet opgelost, evenmin als andere hete hangijzers, zoals de buy American-regels van Amerikaanse deelstaten die voorschrijven dat hun eigen firma’s voorrang krijgen bij aanbestedingen. En over de controversieelste kwestie, het systeem voor investeringsbescherming buiten de normale rechtsgang om (ISDS), werd de discussie pas onlangs weer geopend.

Als de Amerikaanse president Obama zondag en maandag Europese regeringsleiders ontmoet op de Hannover Messe, zullen ook Malmström en Froman elkaar daar spreken voor wat ze noemen: het TTIP-eindspel. De partijen weten: het is nu of nooit. De laatste maanden van de ambtstermijn van Obama zijn ingegaan, en hij ziet de twee grote handelsverdragen – TTIP met de EU en het al gesloten, maar nog niet geratificeerde TPP met elf landen rond de Stille Oceaan – als pijlers van zijn presidentiële erfenis. Falen is geen optie; niets zou de Russische president Poetin immers liever zijn dan zo’n geopolitiek gezichtsverlies voor het Westen.

Maar zodra Obama weg is, zijn ook de kansen voor TPP en TTIP dat. Moe van crisis en bezuinigingen protesteren in het hele Westen bevolkingen tegen grands projets van hun overheden. Migratie en vrijhandelsakkoorden, symptomen van dieper doordringende globalisering, zijn steeds de stenen des aanstoots.

Verzet tegen vrijhandel laait momenteel hoog op in de Amerikaanse verkiezingscampagnes. De populisten Donald Trump en Bernie Sanders wedijveren in het fanatisme waarmee ze handelsverdragen afwijzen. Maar ook Hillary Clinton, die het TPP ooit de ‘gouden standaard’ in handelsverdragen noemde, heeft zich ertegen gekeerd. Allen komen tegemoet aan de woede bij de Amerikaanse middenklasse hierover.

De oorzaak? Het nadreunen van NAFTA, het vrijhandelsverdrag dat de VS in 1994 tekende met Mexico en Canada, tijdens het presidentschap van Bill Clinton (Hillary Clinton zegt nu dat zij het toen al geen goed idee vond). En de naschok van de toetreding van China tot de WTO, in 2001. Samen met technologische vernieuwing zou dat voor het verlies van bijna 6 miljoen fabrieksbanen – ‘blauwe boordenwerkers’ – in de VS tussen 2000 en 2010 hebben gezorgd.

Vrijhandel heeft ook positieve zaken gebracht, zoals goedkopere spullen en daarmee een hogere levensstandaard voor álle Amerikaanse consumenten. Maar het vrijhandelsdogma dat verdragen ook voor wie wordt weggeconcurreerd uiteindelijk een verbetering betekenen, ging niet op, blijkt uit nu vaak aangehaald onderzoek van economen Daron Acemoglu en David Autor.

Verkiezingsgeweld

Vooral één specifieke groep stortte door een economisch valluik: werknemers in staten als Ohio, Michigan en Pennsylvania, waar veel zware industrie is weggevaagd. (In de laatste staat zijn dinsdag voorverkiezingen.) De Amerikaanse overheid liet grotendeels na een vangnet te spannen.

Al trekt de economie aan, de kiezer verzet zich tegen een volgende ronde van economische integratie, ook al zijn TPP en TTIP juist nadrukkelijk bedoeld om de boosdoener, China, buiten te sluiten. Uit een peiling van de Duitse Bertelsmann Stiftung onder Amerikanen en Europeanen bleek onlangs dat nog maar 17 procent van de Duitsers gelooft dat TTIP iets positiefs is, tegen 55 procent twee jaar geleden. In de VS is 18 procent voor, tegen 53 procent in 2014.

Het verkiezingsgeweld betekent dat de kans miniem is dat het TPP in campagnetijd en nog tijdens Obama’s bewind door het Congres wordt geratificeerd.

En TTIP? Het kan best dat Malström en Froman nog een TTIP-light tot stand brengen, voordat Obama van het toneel verdwijnt. Maar de volgende Amerikaanse president zou er enorm zijn of haar nek voor moeten uitsteken. 28 Europese parlementen plus het Amerikaanse Congres zouden het moeten ratificeren. In Nederland wordt al een referendum voorbereid als eventuele extra obstructietactiek.

Dikke kans dat het ‘eindspel’ nog wel even gaat duren.