IS leerde meedogenloze onderdrukking van Arabische regimes

ISIS - A Short History van de Libanese Amerikaan Fawaz A. Gerges is niet het eerste boek over Islamitische Staat. Het is tot nu toe wel de meest diepgravende studie over deze extreme variant van de jihad. Gerges besteedt aandacht aan het totalitaire wereldbeeld van IS, maar analyseert vooral de omgeving waarin dat kon gedijen.

Die context is complex, maar laat zich samenvatten in twee elementen: het bankroet van de Arabische staat en een eeuw van westerse interventies in de regio. Dat dubbelspoor begint als het Ottomaanse Rijk bezwijkt en de koloniale mogendheden Engeland en Frankrijk het Arabische deel van het rijk onderling verdelen. De grenzen die zij in 1916 trokken, zijn goeddeels de actuele grenzen in het Midden-Oosten, scheidslijnen tussen autoritaire, maar zwakke staten. Het zijn deze grenzen die IS wil opheffen door herstel van het kalifaat, als een thuisbasis voor alle waarachtige moslims.

IS vormt de derde golf van hedendaags jihadisme, een agressieve splinter binnen de islam die geen toekomst ziet voor moslims buiten een islamitische staat en die zo’n staat gewapenderhand wil vestigen. De eerste golf richtte zich in de jaren 70 tegen het seculiere bewind in Egypte en eindigde met de moord op president Anwar Sadat (1981). De tweede lichting, in de vorm van het terreurnetwerk Al-Qaeda, trad aan na de Golfoorlog van 1990-’91, toen Saoedi-Arabië Amerikaanse troepen toeliet op zijn grondgebied.

Volgens Gerges onderscheidt de derde generatie jihadisten zich door zijn eenvoudige sociale achtergrond, beperkte theologische scholing en extreme gewelddadigheid. Hij ontstond rond de Jordaanse bedoeïenenzoon Abu Musab al-Zarqawi. Die begon als kleine crimineel, ontdekte de islam en vertrok als mujahid naar Afghanistan. Terug in Jordanië werd hij gearresteerd. Arabische gevangenissen, zegt Gerges, zijn broedplaatsen van terrorisme en Zarqawi werd er een kille moordenaar.

In de chaos na de inval in Irak in 2003 vormde hij een eigen strijdgroep die bezettingstroepen bestookte, maar vooral moordde onder sji’ieten, volgens Zarqawi afvalligen die het land hadden uitgeleverd aan ongelovigen. Al-Qaeda aanvaardde de groep als filiaal in Irak, maar had bezwaren tegen zijn sektarische bloeddorst. Toen Zarqawi's opvolger, Abu Bakr al-Baghdadi, in 2014 het kalifaat uitriep, brak Al-Qaeda met hem. De zelf benoemde kalief volgde islamstudies in Bagdad, maar kreeg zijn belangrijkste lessen in de Amerikaanse gevangenis Camp Bucca, dé leerschool voor IS-kader.

In 2015 suggereerde Der Spiegel dat IS zijn militaire successen dankt aan ex-officieren van Saddam Hussein en dat zij de beweging hebben overgenomen. De jihadistische ideologie zou alleen nog dienen als mobilisatietactiek; oude Saddam-getrouwen zouden uit zijn op machtsherstel voor de seculier-nationalistische Baath-partij in Irak.

Gerges laat overtuigend zien dat dit verhaal uit de koker komt van Jabhat Al-Nusra, het Al-Qaeda-filiaal in Syrië dat is ondermijnd door IS. Er zijn oud-officieren van Saddam toegetreden tot IS, maar volgens Gerges hebben die al in de jaren 90 de jihadistische ideologie omhelsd. De Irakese economie bezweek toen onder druk van VN-sancties. Baath verkruimelde als nationaal bindmiddel en sektarische tendensen werden sterker omdat burgers terugvielen op hun etnische en religieuze gemeenschappen. Menige officier werd in zijn nieuwe overtuiging gesterkt toen de Amerikanen na de inval zowel het Irakese leger als de Baath-partij ontbonden. Sommige officieren belandden in Camp Bucca, waar hun bekering werd bezegeld. Het enige dat IS overnam van het Saddam-bewind is meedogenloze onderdrukking van afwijkende meningen.