‘Ik verkondig een soort magisch realisme’

(31), hiphopper en hulpverlener, rapt over zijn Antwerpse wijk en zijn land. ‘We staan in België op een beslissend punt.’

Hiphopper Tourist LeMC is „geen feestneus”. Hij rookt niet, en eet geen vlees of vis. Noem hem simpel. Sober. Of nee, zegt hij, eenvoudig, dat is het woord. Hij heeft geen rauw imago nodig om een hiphopper te zijn. Sweatshirt, spijkerbroek, sneakers. Hij stelt zich voor als Johannes. Want zo heet hij echt, Johannes Faes, 31 jaar, uit Antwerpen: volkszanger, Vlaams verteller, troubadour. Zelf geeft hij de voorkeur aan Tourist. Beschouwer van zijn eigen wijk, zijn stad en van daaruit de wereld.

We spreken af in Rotterdam, waar hij ’s avonds zal optreden in de schouwburg. Klein tafeltje aan het raam. Ook al zit hij dichtbij, het vergt opperste concentratie om hem te verstaan. Hij praat zoals hij rapt. Ritmisch, Antwerps, zijn zinnen doorspekt met Franse verbasteringen. Exotisch. Pas na een zin of wat heb je door dat hij een taal spreekt die ook een Nederlander kan begrijpen. Hij lacht, verlegen. Excuus, zegt hij. „Ik ben ook al niet de beste articuleerder.” Onbegrijpelijk hoe een rapper als Typhoon zo verstaanbaar blijft, zegt hij. „Ik zal mijn best doen mooier te praten.”

Dat zijn songteksten bij de eerste luisterbeurt niet meteen verstaan worden, vindt hij niet erg. Integendeel. „Het geeft de liedjes gelaagdheid. Eerst hoor je het ritme, de melodie. Je luistert nog eens: je voelt de sfeer. Je luistert weer: nu hoor je de tekst.”

En wie de teksten verstaat, is fan. In eigen land won hij begin 2016 twee MIA’s (muziekprijzen); een voor beste Nederlandstalige album en een voor grootste doorbraak. Nu komt hij de grens over. De avond van de aanslag op vliegveld Zaventem opende hij de uitzending van De wereld draait door met ‘Horizon’: ‘Een brandje hier een brandhaardje daar. De as waait tot in den achtertuin.’ Eurocommissaris Frans Timmermans gebruikte zijn tekst ‘Klein gebedje’ als rode draad in een pamflet over Europa en de vluchtelingen. ’Ik zou wel willen helpen, en heb ook een luisterend oor. Maar ook jij denkt hetzelfde, daar is het Rode Kruis toch voor?’

Hij combineert kleinkunst met hiphop. Optimisme met misantropie. Pessimisme met hoop. Maatschappijkritiek met persoonlijke ontboezemingen. Met Tourist LeMC lijkt een verbleekt woord uit het verleden terug: engagement. Herman van Veen, zeggen Nederlanders dan meteen. Of Boudewijn de Groot. Vlamingen vergelijken hem met Wannes Van de Velde, Antwerps volkszanger. Zoals Stromae, die andere Belgische rapbekendheid, wordt gezien als de nieuwe Jacques Brel. „Voor mijn gevoel hoorde Brel meer bij Brussel. Eigenlijk kende ik hem niet goed. Nu ik meer en meer naar hem begin te luisteren, hoor ik dat hij niet een man van Brussel, maar van heel België is.”

Kleine stukjes biografie heeft hij, in korte zinnetjes, verspreid over zijn debuutalbum Antwerps Testament (2010) en zijn laatste album En Route (2015). Hij rapt over de wijk waarin hij opgroeide, de Seefhoek. Een oorspronkelijk volkse wijk grenzend aan het Antwerpse stadscentrum, die gaandeweg diverser werd en waar nu honderd nationaliteiten wonen.

De wijk ook waar het Vlaams Blok eind jaren tachtig als eerste groot was en waar de „blanke vlucht” naar buitensteden toeneemt. Inmiddels woont hij, met vrouw en zoontje Gabriël van nog geen drie maanden, alweer vijf jaar in Deurne, een buurt aan de rand van Antwerpen. Een groenere wijk, zegt hij. „Er steken eenden over. Eenden...” Maar ook witter, zeg ik. Hij knikt. „Waar ik nu woon, hoor ik ineens weer het dialect van mijn onkels en grootouders. En toch... De Seefhoek heb ik altijd als mijn thuis beschouwd.” Hij beheerst nog altijd het mengsel van Antwerps en Arabisch van de straat.

Optreden voor gratis cola

Hij verhaalt over zijn broers, twee oudere en een jongere, die hem naar Franstalige en Amerikaanse hiphop lieten luisteren. „Op mijn vijftiende, zestiende begon ik zelf wat tekstjes te schrijven. Iedereen deed dat in die tijd.” De cassettebandjes die hij opnam, en later de zelfgebrande cd’tjes, deelde hij gratis uit op straat. Waar de meeste jongens stopten – met school én met rappen – ging hij door. Hij trad op voor gratis cola. Tot een klein Vlaams label – Eigen Makelij – hem zijn eerste, echte cd liet opnemen. Daarna werden de podia iets groter. „Een podiumbeest ben ik niet, nooit geweest ook. Dat heeft moeten groeien. Het gaat beter en beter. Nu is het bijna comfortabel.” En wie staat er bij hem in de zaal? „Twintigers, dertigers, vijftigers. Hele gezinnen. Typhoonpubliek. Publiek dat de muziek én de inhoud waardeert.” Er is weer meer behoefte aan engagement, denkt hij. „Met het verdwijnen van de kritische volkszanger, viel er een gat, waar ik precies in pas. Ik verkondig een soort magisch realisme waar mensen hoop uit kunnen putten.”

Hij bezingt hoe hij hangjongere was en maatschappelijk werker werd. En bij hangjongere hoort... roken, blowen, drinken?, vraag ik. Hij schudt vaag van nee. „En we pleegden al helemaal geen strafbare feiten.” Zijn „chance” waren zijn ouders. Zijn moeder verpleegster, zijn vader leraar wis- en aardrijkskunde. „Ze waren nogal streng. Moest ook wel met vier zoons in een stadswijk. Ze hebben me door mijn jeugd geholpen. Ik heb veel vrienden schoolmoe zien afhaken.”

Hij heeft heel wat scholen bezocht, maar er ook één afgemaakt. En daarna werd hij maatschappelijk werker. Eerst bij de OCMW, de Belgische sociale dienst. „Ik moest beoordelen of iemand in aanmerking kwam voor een uitkering.” Lastig? „Ja, best. Toen ik begon waren de regels in België nog redelijk soepel. Soepeler dan in Nederland dan toch. Inmiddels zijn we net zo streng, zo niet strenger.”

Nu werkt hij, halftijds, als sociaal-psychologisch hulpverlener in een ziekenhuis. Hij begeleidt patiënten bij medische ingrepen. De hiphoppende hulpverlener ? „Ah ja, ik wil graag kennis overbrengen. Wim Helsen [Vlaams cabaretier] zegt dat hij altijd meteen rechtop gaat zitten als hij mijn stem hoort. Alsof ik een schoolmeester ben naar wie hij luisteren moet.” In elk geval een hulpverlener die meer en meer wordt herkend. Dan wordt er getwitterd: „Zag de Tourist fietsen.” Of: „De koning van de liefde in onze lift.”

In ‘Koning liefde’ zingt Tourist over zijn Poolse bruid, het buurmeisje van twee deuren verder. „Toen ik mijn grootmoeder over mijn verliefdheid vertelde, begon ze een oud Antwerps volkswijsje te zingen.” De tekst daarvan heeft hij integraal overgenomen in het lied ‘Als ge wilt vrijen’. Waar het op neerkomt is dat hij, net als de andere mannen in zijn familie, „een schoontje vant kantje” heeft gevonden, een meisje uit de buurt. Maar dan eentje die toch van ver komt.

Huwelijk van de toekomst

Het huwelijk van de toekomst, zegt hij, is intercultureel. Zijn Poolse ‘milfa’ (familie) wil nu alleen niet meer bij hem thuis komen. „Ze durven niet. Niet na alles wat ze op televisie over België hebben gezien.” Stadwijken waar terroristen kunnen gedijen, vreemdelingenhaat, aanslagen. „We staan in België op een beslissend punt.” Hij maakt daarvan, rappend, de ‘bilan’ op. De balans, of de rekening. ‘Laten we de segregatie woekeren?’ De één roept om een blank Vlaanderen, zingt hij, de ander om een religieuze staat. ‘De uiterste stemmen worden extremer. Spijtig dat ge die het hardste hoort. De gaten die we laten vallen, beginnen kraters te worden. Dichten we die kloof? Zo niet, dan moeten we niet te hard schrikken als het weer mis gaat.’

Tot nu toe heeft Tourist gepraat bij een glaasje bruiswater. „Laat ons subiet een broodje bestellen.” Voor hem eentje met gegrilde groenten. Straks moet hij soundchecken voor zijn optreden vanavond. „De band is al onderweg.” Hij treedt tegenwoordig op met vijf muzikanten. Allemaal hebben ze, net als hij, een betaalde baan voor overdag. Tourist is een artiest in transitie. De dag voor deze heeft hij tot zes uur ’s avonds gewerkt. Daarna is hij in de auto gestapt en naar Hilversum gereden voor een radio-interview. Vandaag treedt hij op, daarna gaat hij weer terug naar huis. En morgen is hij weer vroeg present in het ziekenhuis. Er zijn weken dat hij één optreden heeft, maar nu het festivalseizoen weer begint, zijn er ook weken van vier of meer. „Veel artiesten verdienen bij als docent of ze geven workshops.” Hij verlangt ernaar compleet artiest te zijn, maar voorlopig houdt hij zijn „job”. Deels omdat het financieel comfortabeler is dan alleen leven van de muziek. Maar ook omdat hij in het ziekenhuis de mensen ontmoet wiens wereld hij bezingt. „In mijn werk pak ik stress weg, probeer moed terug te brengen en vooruitzicht te bieden. Precies wat ik doe met muziek.”