Column

Fiets

Mijn fiets is kwijt. Nou, niet echt kwijt, ik heb wel een vaag idee waar hij zou kunnen staan, met zijn roestplekken, maar ik heb al jaren een hekel aan hem, dus ik hoop een beetje dat hij inmiddels gejat is. Hij is log, lomp en zwaar en ook nog eens veel te groot voor mij. Mijn conditie is verbeterd sinds ik het roken laat, en als ik vijf trappen opren ben ik niet echt moe. Rijdend op deze fiets echter, vermoed ik altijd de eerste tekenen van COPD. Alsof ik door stroop fiets en een zakdoek met weerhaakjes heb ingeademd.

Bejaarden halen me links en rechts in, onder mijn neus prijkt een zweetsnor (een zweetsnor ja, dat vind ik vriendelijker klinken dan ‘het transpiratievocht dat uit mijn haargrens via mijn neus richting bovenlip gegleden is om zich met het vocht dat uit voornoemde neus en bovenlip is komen opwellen te vermengen’, maar wie ben ik?) en ik kijk als een waanzinnige in doodsangst. En zo voel ik me dan ook.

De discrepantie tussen de binnen en de buitenkant is op een dergelijk moment minimaal, wat als winst zou kunnen worden opgevat door mensen die graag helemaal zichzelf zijn in het nu en niet huiveren om hun zwaktes te tonen, maar ik geloof niet dat ik in die kerk zit. Nu heb ik me wel het geheim van bejaarden laten influisteren (die rijden waarschijnlijk elektrisch) maar ook corpulente types flitsen mij voorbij terwijl ze toch zichtbare moeite vertonen met de activiteit. Omdat ik van fietsen ga hyperventileren loop ik dus liever. Ook omdat ik dat sneller kan. Ik voel me wendbaarder lopend. Lopen is leuk. Maar omdat het soms regent en het openbaar vervoer mij doodsangst inboezemt met al die ademende mensen en bepotelde onderdelen, neem ik ook weleens een taxi. Vanmorgen bijvoorbeeld. Ik verwacht van het leven niet heel veel, maar ik heb wel hoop. Hoop dat ik niet, of in elk geval niet spoedig of akelig, zal sterven. En ik vind vrij veel akelig.

Nee, wat sterven betreft ben ik nogal kieskeurig. Dat wil ik bijna nergens. God, de plekken waar je op een dag komt, de wc’s waar je weleens op moet. Afgrijselijk. Dat je daar ineens neervalt door een vreselijke besmetting, recht in de opgedroogde urineplekken. Of erger; natte urineplekken. Dat wil je niet. Dat ze de deur moeten openbreken en dat je daar dan ligt, met een lelijke onderbroek aan bijvoorbeeld.

Maar ik stapte dus vanmorgen in een taxibusje bij een man die slecht te verstaan was, zeker zo achterin het busje gezeten, en een totale veronachtzaming van het leven an sich en dat van zijn passagiers in het bijzonder demonstreerde. Vloekend en tierend reed hij door de stad. Ik kreeg mijn gordel niet aan omdat ik door de bus gesmeten werd. In Walibi zou men rijen dik klaarstaan om geld naar deze man te gooien in de hoop op een ritje. Als ik bij de aanblik van mensen op een Segway niet zo hard zou hoeven huilen zou ik de aanschaf van zo’n apparaat serieus overwegen.