De komst van de tuinvrouw

In een prachteditie wordt de geschiedenis van de landschaps- en tuinarchitectuur verteld. En wat blijkt: de vrouw zou hierin een belangrijke rol hebben gespeeld. En de tulp, een duidelijk niet-katholieke bloem, werd de eerste bloem-als-bloem.

De plattegrond van het paradijs, getekend door de auteur Illustratie uit besproken boek

Over architectuurgeschiedenis wordt heel veel geschreven; over die van de tuinkunst veel minder. Mensen die met hun voeten in de aarde staan en verstand hebben van zaaien en snoeien, hebben minder praatjes dan architecten, hoeveel moois ze ook tot stand brengen. De Natuur leert ze nederigheid en legt ze voortdurend beperkingen op van een soort waarvan architecten geen last hebben. Misschien ligt daarin al de kiem van een soort rolverdeling tussen vrouw en man (en dan denken we onwillekeurig aan Petra Blaisse, die tuinen ontwerpt in de torenhoge schaduw van haar partner, architect Rem Koolhaas.)

Tegen het eind van Er stond een vrouw in de tuin van Anne Mieke Backer wordt Blaisse’s bureau Inside Outside, dat onder meer landscape interventions maakt bij projecten van Koolhaas, uitvoerig besproken. We zijn dan duizenden jaren opgeschoten sinds het eerste hoofdstuk, ‘Aarde’, waarin het gaat over oermoeders en het ontstaan van landbouw: vrouwen werden boerinnen, terwijl de mannen nog een tijdje jagers bleven.

Het mag duidelijk zijn dat Backer breed uithaalt. Een inleiding op de keus en de afbakening van haar onderwerp, of wat ze er precies mee hoopt te bereiken, ontbreekt. De lezer moet aannemen (wat niet moeilijk is) dat de rol van vrouwen in de tuin- en landschapsgeschiedenis tot nu toe onderbelicht is gebleven, en zich overgeven aan de auteur, die daar verandering in wil brengen. Daarbij concentreert zij zich op de Lage Landen.

Het boek is met veel zorg gemaakt – dundrukpapier, soepel gebonden en doorschoten met vijftien kleurkaternen. De illustraties zijn soms wat klein, maar vaak origineel gekozen.

De eerste hoofdstukken zijn pure, mooi doordachte cultuurgeschiedenis. We lezen hoe de jonge christelijke kerk zich geconfronteerd zag met het gemis van een moeder Aarde-achtige godheid, en dat compenseerde door Maria als Moeder Gods op te waarderen. Maria werd vaak afgebeeld in haar hortus conclusus (besloten tuin), waarin al gauw vele speciale ‘madonnaplantjes’ groeiden.

Moeder Gods

Geleidelijk wordt de tekst specifieker, en zoomt de schrijfster in op historische tuinpioniers zoals Marie de Brimeu, prinses van Chimay (1550-1605). Deze interessante, protestantse dame zag de wereld der planten met nieuwe ogen. Zij correspondeerde met de grootste botanici van haar tijd, en veel van haar brieven zijn bewaard gebleven. Ze hield van de tulp, een duidelijk niet-katholieke bloem (hij kwam uit het Ottomaanse rijk). Ook had de tulp geen medicinaal nut: de bloem-als-bloem werd uitgevonden.

Meer dan de architectuurgeschiedenis heeft de tuingeschiedenis te kampen met de vergankelijkheid. De weelderige tuinen van stadhouder Frederik Hendrik en zijn vrouw Amalia van Solms leven alleen voort in wat ontwerpen en afbeeldingen. Amalia coördineerde persoonlijk het werk in Honselaarsdijk en bij Huis ter Nieuburgh. De ontwerpen in Hollands-classicistische trant werden al kort na haar dood in 1675 aangepast naar Franse smaak.

Ook Amalia’s dochters schiepen Oranjetuinen, en er kwamen koopmanstuinen langs de Vecht, zoals Vijverhof, waar Agneta Block orchideeën en ananassen kweekte. De bloemen- en vazenmanie van Mary Stuart wordt besproken, het schrijfhuisje van Betje Wolff op Lommerlust in de Beemster – en dan moet de negentiende eeuw nog beginnen.

Anders dan je bij een boek met zo’n weids thema zou verwachten, is veel van de inhoud gebaseerd op nieuw onderzoek. Vooral voor de latere hoofdstukken bestudeerde Backer brieven en dagboeken, bezocht ze archieven en voerde waar mogelijk gesprekken. Dat leidt soms tot aardige uitweidingen, zoals die over de ‘Oudhollandse’ tuin van Aaltje Fregeres in Broek in Waterland, feitelijk een toeristenattractie in de vorm van een tuin vol bric-à-brac, die omstreeks 1883 naar Amsterdam is gehaald – maar het wordt allemaal wel lang. De lezer (althans, deze ongeduldige lezeres) wordt er onrustig van: waar is de hoofdlijn, wat waren ook weer de grote ontwikkelingen?

Stapelmuurtje

Uiteindelijk zucht en kraakt het boek in zijn voegen, omdat het te vol zit. Dat doet zich ook voelen in het lange hoofdstuk over de landgoederen van Louise en Johanna Borski, schatrijke bankiersdochters die eind negentiende eeuw in de Amsterdamse elite trouwden. Wat Louise betreft wordt ook niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met haar megalomane buitenplaats Hydepark verdient te worden bijgeschreven in de annalen van de tuingeschiedenis. Johanna’s dochter Olga Burdet, die het landgoed Elswout erfde, is dan weer wel interessant, al was het maar vanwege haar nauwe samenwerking met natuurpionier Jac. P. Thijsse.

In de twintigste eeuw woonden steeds meer mensen in villa’s met tuinen, en die werden overwegend door vrouwen verzorgd. Ze ontdekten het ‘stapelmuurtje’ (bedacht door de Engelse tuincoryfee Gertrude Jekyll), de charmes van vaste planten, en legden borders aan. Ook kozen steeds meer vrouwen het tuinvak als beroep. Iedereen heeft gehoord van Mien Ruys; minder bekend werd de stedenbouwkundige ir. Jakoba Mulder, die het hele Amsterdamse Bosplan ontwierp, een gigantisch project in de crisisjaren. Veel tuinvrouwen passeren de revue, vele onderliggende kwesties worden aangestipt: het verschil tussen de diverse opleidingen, tussen de ‘planners’ en de ‘planters’, tussen hen die met bomen en hen die met bloemen werkten.

Het is allemaal heel wetenswaardig, maar een beeld of een visie rijst er niet uit op. De vrouw in de tuin mag een thema zijn, het is daarom nog geen verhaal. Dit boek biedt een schat aan gegevens, het kan dank zij de gedetailleerde inhoudsopgave en het register zeker als naslagwerk dienen. Maar het geboeid lezen van begin tot einde – dat lukt niet.