De echte vraag voor de Britten is: wie willen we zijn?

Brexit De campagnes gaan in de hoogste versnelling. Zelfs de Amerikaanse president bemoeit zich met het referendum van 23 juni, als de Britten besluiten of ze lid van de EU blijven of niet. Brexit of Blijven? Het legt de midlifecrisis van het land bloot.

Heeft hij de geest uit de fles gelaten? Van die vraag moet David Cameron ’s nachts nu wakker liggen. Voor hij premier werd, zei hij dat de Conservatieven onder zijn leiding zouden ophouden met „doordrammen over Europa”. Maar met nog twee maanden te gaan tot het Brexit-referendum loopt niet alleen zijn eigen partij, maar het hele land het risico verscheurd te raken over de vraag of de Britten lid moeten blijven van de Europese Unie.

Denken aan een toekomst buiten die Unie is geen vrijblijvend spelletje meer. De campagnes zijn in de hoogste versnelling gegaan en de Britten moeten nu de mogelijke gevolgen onder ogen zien.

Wat betekent een Brexit voor de wereldeconomie? Wat gebeurt er met David Cameron? En hoe groot is de kans eigenlijk dat het Brexit-kamp wint? Deze en nog 35 vragen en antwoorden door Titia Ketelaar (Londen), Stéphane Alonso (Brussel), Guus Valk (Washington), Mark Kranenburg (Den Haag), Maarten Schinkel en Mark Beunderman (Amsterdam) zijn hier te lezen.

Bijvoorbeeld dat ook het Verenigd Koninkrijk uiteenvalt, als de pro-Europesere Schotten na een Brexit opnieuw hun onafhankelijkheid opeisen. Of de wereldwijde economische schade die het IMF voorspelt. Of het nauwelijks verkapte dreigement van de Verenigde Staten om de special relationship op te zeggen en hun nauwste bondgenoot op een zijspoor te zetten, omdat het Amerikaanse belang is gediend bij een Britse rol in Europa. En ook: een domino-effect als andere Europese lidstaten opeens weg willen. Dat de Conservatieven onderling onherstelbaar gebrouilleerd zullen zijn, is dan een kleinigheid.

Of is dit allemaal bangmakerij, zoals de voorstanders van een Brexit beweren?

Theoretisch zou ‘Blijven’ op 23 juni moeten kunnen winnen van ‘Vertrekken’. Cameron zelf wil blijven, evenals de meeste van zijn ministers, het overgrote deel van de oppositie, de grootste vakbonden én de werkgeversorganisatie. De drie nog levende oud-premiers: Major, Blair en Brown. De Amerikaanse president, de Chinese. Het zou de doorslag kunnen geven.

Zou.

Toen Cameron drie jaar geleden een referendum aankondigde, leek het een slimme zet, want een duidelijke meerderheid van de Britten was vóór blijven. Het land zou zijn debat krijgen, en na een ‘ja’ zou de eeuwige splijtzwam weg zijn. Maar intussen is het verschil tussen beide kampen miniem. ‘Blijven’ doet het iets beter in telefonische peilingen. De gezaghebbende ‘superpeiling’ van hoogleraar John Curtice staat op 52:48.

Want het referendum is allang uitgegroeid tot iets groters. Het legt de midlifecrisis van het land meedogenloos bloot, dwingt de Britten zich af te vragen wie ze willen zijn. Eilandbewoners die de ophaalbrug kunnen ophijsen, nostalgici die verlangen naar de tijd van het Empire, kranige avonturiers die het in een geglobaliseerde wereld alleen afkunnen? Of hebben ze geaccepteerd dat ze een gewoon, middelgroot Europees land zijn, pragmatici die onderdeel zijn van een pact met de buren?

Er kan nog veel gebeuren. Willen de Schotten een nieuw referendum over hun positie, net als in 2014? Brexit betekent een nieuwe grens op het Ierse eiland, tussen het dan niet langer Europese Noord-Ierland en het Europese zuiden. Betekent dat ook nieuw geweld?

Wat wordt de opkomst? Laag als jongeren, die pro-Europeser zijn dan hun ouders zullen thuisblijven, net als vorig jaar bij de Lagerhuisverkiezingen. Fanatieke Brexiteers kunnen dan de doorslag geven. Zij geloven niet in Camerons mantra dat de Britten binnen de EU „sterker, veiliger, economisch beter af” zijn.

Zoals Europarlementariër Daniel Hannan graag zegt: „We zijn de zesde economie in de wereld, de op drie na grootste defensiemacht, zitten in de VN-Veiligheidsraad. Hoeveel groter moeten we worden? Zelfs [de Kanaaleilanden] Jersey en Guernsey kunnen het zonder de EU.”

Tot 2012 was een vertrek voor de grote meerderheid nooit een serieuze optie. Het strategisch belang van het EU-lidmaatschap stond voorop. Margaret Thatcher was voorstander van de interne markt, Tony Blair van uitbreiding naar het oosten. De Britten waren kritische betrokkenen, bedongen talloze uitzonderingsposities, maar hielden zich niet afzijdig.

Dat veranderde door de eurocrisis. De Britten doen niet mee aan de euro en houden hun pond sterling. Aan de overzijde van het Kanaal zagen ze chaos bij pinautomaten, nachtelijke noodvergaderingen, roep om méér Europese integratie. Hun eigen minister van Financiën zei dat de Britse economie schade leed. Het argument dat het EU-lidmaatschap economisch voordeel biedt, verzwakte.

Ook in het vluchtelingendebat zijn ze vooral toeschouwer. Ze hebben een opt-out op asielgebied, doen niet mee aan het Schengenverdrag voor paspoortloos reizen. Maar opnieuw is er chaos, heel dichtbij in Calais, de Schengengrens. Het Kanaal als laatste slotgracht.

Intussen kon de regering-Cameron haar belofte om het aantal immigranten sterk terug te dringen niet waarmaken. Voor Oost-Europeanen en jonge Spanjaarden, Portugezen en Grieken geldt de Europese vrijheid van personenverkeer. Ze zijn niet tegen te houden. Maar door hun komst, en de vermeende druk die ze leggen op banen, lonen en sociale voorzieningen, zijn ze ook het meest zichtbare gevolg van het Europese lidmaatschap.

Laat mij als vriend zeggen dat de EU Brittannië nog groter zal maken

President Barack Obama, nu op bezoek in Londen

Zo werd de EU lastig te verkopen. Helemaal in Camerons eigen partij: onder druk van de opmars van de eurosceptische UK Independence Partij rebelleerden steeds meer partijleden over Europa, niet alleen de usual suspects die al tijdens John Majors premierschap (voor 1997) dwarslagen. In een poging de partijeenheid te bewaren, beloofde Cameron het referendum. Maar hij heeft slechts de helft van zijn Lagerhuisleden weten te overtuigen van ‘Blijven’.

Britten zijn niet de enige eurosceptici in de EU. Maar zoals je in de VS niet hardop kunt zeggen dat je niet in God gelooft, lijkt het vooral onder de Engelsen – talrijker dan de Schotten, Welsh en (Noord-)Ieren – onmogelijk te zeggen dat je pro-Europees bent. Het idee dat alles wat van het continent komt onwenselijk is, zit diep in hun ziel. En al helemaal als het wordt opgelegd. Zoals Winston Churchill in 1946 zei: „We are with Europe, not of it”.

Tel daarbij op het gevoel dat zij meer aan ‘Brussel’ betalen dan ze terugkrijgen, het gevoel dat Europa overgereguleerd is en dat al die ‘buitenlandse’ regels niet passen in de Britse traditie van parlementaire soevereiniteit. Dat de EU hard op weg is een ‘federatie’ te worden, waarbij de macht bij ‘naamloze, ongekozen bureaucraten’ in Brussel ligt en niet bij de lidstaten. Daar komt de niet-aflatende stroom van eurosceptische berichtgeving bij. Oliver Daddow, politicoloog aan Nottingham Trent University, berekende dat slechts een op de acht artikelen over de EU in Britse kranten positief is. „Het heeft de politiek daadwerkelijk beïnvloed”, zegt hij.

Jarenlang hadden politici het alleen over de gebreken van de EU, ook omdat het vaak handig was een externe boeman aan te wijzen. Nu hebben ze nog twee maanden om uit te leggen dat de EU goed genoeg is om tóch lid te blijven. Of, zoals de tactiek van het Blijven-kamp lijkt, dat er uitstappen een stap in het duister is. Labour-leider Jeremy Corbyn toonde die ommezwaai vorige week het beste: decennialang was hij tegen, eerst tegen het Britse EEG-lidmaatschap bij het referendum van 1975, en daarna steeds tegen verdere integratie. Nu bekeerde hij zich schoorvoetend tot ‘Blijven’.

Dat kamp wil dat de keuze van 23 juni is gebaseerd op feiten. De kiezer eist het. Maar net als bij het Schotse referendum zijn feiten in dit debat eerder claims en tegenclaims. Dat bereikt ook de BBC; de Britse publieke omroep is verplicht iedereen evenveel zendtijd geven, en iedere spreker, van welk kaliber ook, weerwoord te bieden. Zo blijven veel discussies onbeslist.

Zie de Bank of England, die de koersdaling van het pond wijt aan onzekerheid over het referendum. Het eurosceptische Lagerhuislid John Redwood noemde de bank vervolgens „onderdeel van een samenzwering”. Toen het IMF vorige week waarschuwde voor „ernstige regionale en wereldwijde schade”, reageerde Vote Leave op de BBC met: „Het IMF zit er consequent naast.”

En nog voordat Barack Obama in Londen was geland, donderdag, mocht Boris Johnson, burgemeester van Londen en Brexitboegbeeld, diens nog niet uitgesproken advies tegen Brexit al bestempelen als „exorbitante hypocrisie”. De VS, die zich ooit hadden losgemaakt uit het Britse rijk, zouden volgens hem juist pro-soevereiniteit moeten zijn.

Hoe ver de roep om ‘evenwichtige berichtgeving’ gaat, bleek toen de regering eerder deze maand naar miljoenen huishoudens een pamflet stuurde met argumenten om EU-lid te blijven. Het Brexit-kamp eiste dat de overheid dan óók de argumenten voor vertrekken geeft, „zodat de kiezer een ware vrije stem” heeft. Ook pro-Blijvers voelden zich trouwens ongemakkelijk bij het ‘stemadvies’ van de regering.

Het bedrijfsleven is intussen huiverig zich uit te spreken, uit angst voor de consequenties van straks aan de verkeerde kant te staan. De top van grote beursgenoteerde bedrijven ondertekende een pro-EU-brief, maar, zo haastte men te zeggen, „op persoonlijke titel”.

Niet dat in het huidige klimaat multinationals worden vertrouwd, of politici. Bij het EU-referendum van 1975 telde de mening van de elite nog. Nu wantrouwt de kiezer de verdedigers van de status quo, een wereldwijd fenomeen op het moment.

‘Blijven’ steunt juist op het establishment – Cameron, minister van Financiën Osborne. Met wie collega’s van andere partijen geen podium willen delen, uit angst vereenzelvigd te worden met de Conservatieven. Die les leerde Labour tijdens het Schotse referendum, en de Liberaal-Democraten als kleinste partner in de vorige regering. De kiezers rekenden hen op die samenwerking af. Aan de Blijven-kant is de boodschap wellicht helder, maar bij het uitdragen is het ieder voor zich.

‘Vertrekken’ is ook verdeeld, maar vooral over hoe het land er post-Brexit uit zal zien. Sommige vertrekkers willen toegang tot de interne markt behouden, maar dan zonder vrijheid van personenverkeer of andere ‘lastige’ regelgeving. Anderen stellen een vrijhandelsakkoord voor, en „vriendelijke coöperatie” met het continent. „Zij exporteren meer naar ons, dan wij naar hen”, verzekert minister van Justitie Michael Gove steeds. Zonder er overigens bij te zeggen dat dit een scheve vergelijking is tussen één land en het totaal van 27 partners.

Waarschuwingen voor de risico’s van een Brexit – bijvoorbeeld dat de EU niet zo genegen zal zijn om met de afgescheiden lidstaat deals te sluiten – worden door hen routineus als ‘Project Angst’ weggezet. „Ze willen dat we dusdanig trillend van angst bij de stembus arriveren, dat we naar het pijpen van de euro-elites dansen”, zei Boris Johnson. Vertrekken zal geen economische schok veroorzaken, zei Gove. De berekening van de minister van Financiën dat huishoudens gemiddeld 4.300 pond (5.418 euro) slechter af zullen zijn, is „bangmakerij”.

Schotse nationalisten voerden twee jaar geleden op eenzelfde manier campagne. Dat werkte; bijna: 55 procent stemde uiteindelijk tegen onafhankelijkheid, koos voor de zekerheid van de Unie met Engeland. Beide kampen hebben geleerd van die strijd.

Nog twee maanden te gaan om de Britten te overtuigen van Blijven of Brexit.