Benepen godsvrucht

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

De barones en de dominee [1] door Wim Coster is een schoolvoorbeeld van microgeschiedenis. Zo’n onderzoek, daar kan haast geen roman tegenop, ondanks een nogal moeizame introductie van de personages en hun entourage in Zwolle en Dalfsen. Maar na die aanloop komt het gerucht van overspel dat in 1863 de ronde gaat doen. Het liep uit op een schandaal dat Nederland op zijn grondvesten deed schudden. De stijve, deftig geplooide dominee Gerrit van Rijn zou een ‘onecht’ kind hebben verwekt. Was de moeder dienstbode geweest, dan had er geen haan naar gekraaid. Maar de vingers wezen naar de weduwe van een rijke zakenman, geboren freule Van Dedem tot den Berg. Gevolg: „Een ongekende maalstroom van feiten, meningen, vermoedens, verdachtmakingen en rechtszaken.”

De vrouw werd onterfd, verstoten, haar eerste kind ontvoerd en zij uit de voogdij gezet. De dominee werd aan de galg gewenst. „De Ellendeling” had Gods toorn opgeroepen. Hij kwam in het gevang, al bezwoer hij onder ede dat de weduwe „zijn vleselijke begeerte niet had bevredigd”.

Uit de rechtszaken, verslagen van kerkelijke commissies en polemieken, tot in het kleinste feitelijke detail door de auteur onderzocht, walmt een benepen godsvrucht op, achterbaksheid, fatsoensrakkerij en standsbewustzijn. Voor de vrouw trad Multatuli in het krijt met een snijdende aanval op „het domme bijgeloof der zeden”. Zo laat microgeschiedenis niet alleen de kleine achter de horizon van de tijd verdwenen persoonlijke tragedies zien, Coster brengt de mentaliteit van een tijdperk in beeld. Hij achterhaalde zelfs wat er van het „in ontucht verwekte kind” werd.

Ook Menthol [2], over de eerste zwarte Tukker, is een adembenemende microgeschiedenis. Menthol was de ‘artiestennaam’ van Joseph Sylvester (1890-1955), afkomstig van het Caraïbische eilandje Saint Lucia. Via allerlei omzwervingen belandde dit straatarme handelstalent in 1925 in Nederland. Als sensatie verwekkende standwerker leerde hij op markten overal in Nederland het toegestroomde publiek tandenpoetsen met zijn uit de VS geïmporteerde tandpasta, die hij „het geheim van het zwarte ras” noemde.

Op een van z’n handelsreizen ontmoette hij in Amsterdam de Hengelose mannequin Roosje Borchert, met wie hij in 1928 trouwde. Heel Hengelo, waar niemand ooit een ‘neger’ had gezien, liep uit. Met veel schwung overleefden Joseph en Roosje de crisisjaren, de Tweede Wereldoorlog en de benepen periode van opkomend racisme daarna.

Frank Krake (1968), die de verhalen over Menthol uit de overlevering kende, wijdde aan dit roemruchte echtpaar een fascinerend boek. Zowel qua thematiek als opzet doet het denken aan Sonny Boy (2004) van Annejet van der Zijl. Krake kruipt in de hoofden van zijn personages, beschrijft hun gevoelens zonder daar bronnen voor te hebben. Daar staat tegenover dat hij diepgravend onderzoek heeft gedaan naar de feiten en talrijke documenten door de tekst heeft gestrooid. Een overtuigend geëvoceerd stuk geschiedenis, dat het gemakkelijk zonder de soms storende fictieve elementen had kunnen stellen.

Historicus Maarten van Rossem mag dan wel zijn reputatie van erudiete knorrepot tot imago hebben verheven, het maakt zijn kraakheldere opstellen er niet minder nuttig en soms kostelijk door. De draagbare Van Rossem [3] is het werk van een generalist. Zijn stukken over de Eerste Wereldoorlog, de Amerikaanse buitenlandse politiek 1920-1941, of het opstel over sociologisch onderzoek naar de middenklasse in de VS zijn het werk van een echte docent, die de zaken begrijpelijk maakt zonder op zijn hurken te gaan zitten. Dit type uiteenzettingen is geschikt voor een populair leerboek 20ste-eeuwse geschiedenis. De stukken met jeugdherinneringen aan de dreiging van een atomair armageddon, maar vooral columns over hem antipathieke politici als George W. Bush of Geert Wilders – zijn daarvoor te subjectief of te vluchtig.

Thomas Verbogt, genomineerd voor de Libris Literatuurprijs met zijn roman Als de winter voorbij is, schrijft al decennia columns voor het dagblad De Gelderlander. Vermoedelijk zijn de 75 korte stukjes die nogal flodderig gebundeld zijn in Waaitaal [4] daar een keuze uit. Zeker is dat niet, want een verantwoording ontbreekt. Onder het kopje ‘Lekker’ vertelt Verbogt dat hij onder de douche allerlei activiteiten verricht, plassen bijvoorbeeld. „Tijdens de warme douche doe ik ook wel eens de kleine afwas. Daar plas ik niet overheen.”

Een hele opluchting.