Column

Als Den Haag Tommy Cooper een onderzoeksrol toekent

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Van der Steur, Bussemaker en de incompetentie van de overheid. Ofwel: de logica van het wachtgeldpopulisme.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Dit zijn dagen van nederigheid en vertoon. De coalitie werkt aan zijn laatste begroting – het eindresultaat zal niet slecht zijn, maar ook niet schitterend. In de meeste partijen komen de programcommissies op stoom: kijk eens hoe fraai onze plannen voor de volgende ronde zijn.

Intussen is er, zal je altijd zien, de ontnuchterende praktijk van de alledaagse politiek.

Zo begint op Veiligheid en Justitie en het Umfeld door te sijpelen wat de tweede commissie-Oosting zoal gevonden heeft.

Die volgen ze zeker in de VVD met argusogen.

Oostings eerste onderzoek naar de Teevendeal creëerde eind 2015 een ravage. Kamervoorzitter Van Miltenburg stapte op. Premier Rutte beleefde zijn moeilijkste debat ooit, en moest met minister Van der Steur excuses aan de Kamer maken. Eerder ruimden VVD-bewindslieden Opstelten en Teeven het veld – omdat het bonnetje van de deal te lang onvindbaar was.

Het eindigde hier niet: Nieuwsuur – opnieuw Nieuwsuur – onthulde vervolgens dat ICT’ers, eerder belast met zoeken naar het bonnetje, zomer 2014 moesten stoppen, toen ze het dossier bijna hadden.

Dit kon geen toeval meer zijn, concludeerde ik. Ik was de enige niet.

Maar nu de commissie haar voorlopige bevindingen deelt met betrokkenen, is duidelijk dat voor een doofpot geen bewijs gevonden is. In theorie kan dit nog komen – publicatie is gepland voor de tweede helft van mei – maar belangrijker lijkt me dat de commissie, die indrukwekkend veel nieuwe feiten vond, tussen de regels iets anders aantoont.

Want wie deze klucht overziet, concludeert vanzelf dat politici, ambtenaren en onderzoekers in de praktijk gewoon niet handig genoeg zijn voor de doordachte pose die ze in Kamerbrieven en mediaoptredens aannemen.

Dus misschien, dacht ik, moeten we eens ophouden de overheid competenties toe te kennen die ze niet heeft.

De pikanterie zit dit keer in de details. Het zou me verrassen als Van der Steur erover valt – maar het is beslist opmerkelijk dat hij, toen nog Kamerlid, in 2014 een concept-Kamerbrief over de Teevendeal las en zich in de kantlijn afvroeg of er wel voldoende naar het strafdossier (met daarin het bonnetje) was gezocht.

Zoals het ook bijzonder is dat hij over een andere concept-passage opwierp of die wel naar de Kamer moest – de Kamer waarin hij destijds zelf zat.

Ook is het tantaliserend dat de toenmalige waarnemend directeur FEZ zich herinnert dat hij een topambtenaar zomer 2014 vertelde dat het Teevendeal-dossier te vinden was.

En vooral dat hij 10 maart 2015, daags na het aftreden van Opstelten en Teeven, naar eigen zeggen van diezelfde topambtenaar advies kreeg altijd te weerspreken dat hij bij het zoeken naar het bonnetje betrokken was geweest. (De topambtenaar ontkent.)

Maar het klapstuk wordt opnieuw verzorgd door oud-procureur-generaal Henk van Brummen, de man die in 2014 in opdracht van de minister vergeefs naar het bonnetje zocht.

Bekend was al dat Van Brummen destijds genoegen nam met slechts twee weken onderzoekstijd, alsmede de voorwaarde dat hij niet zou spreken met de enige man die alles wist: Teeven, die als officier van justitie in 1999 de deal met crimineel Cees H. sloot.

Nu blijkt dat Van Brummen wel degelijk is afgereisd naar de ICT-overheidsdienst in Zoetermeer die de cassettes beheerde waarop het bonnetje stond.

Maar helaas: hij nam, werkelijk waar, de verkeerde ingang, en wist zodoende nooit het deurtje te vinden waarachter de cassettes zich bevonden. Tommy Cooper op onderzoekspad.

Voor de duidelijkheid: ik ken niet het hele rapport; ik heb kennisgenomen van passages uit de conceptversie. Maar wie zich realiseert dat Van Brummens mislukte onderzoek twee bewindslieden, een Kamervoorzitter en talrijke topambtenaren de kop kostte, mag zich afvragen hoe deze man een dergelijke opdracht ooit kon krijgen.

Ik kwam er ook op omdat dit de periode is waarin partijen zich weer op de borst gaan slaan. Zo hoorde ik dat de ‘Top 100’ van de VVD – ministers, bestuurders, Kamerfracties, Europarlementariërs – vorig weekeinde informeel bijeen was voor peptalk inzake het komende campagnejaar. Met verkiezingen in aantocht is nederigheid geen zinvolle emotie.

Toch kwamen deze week méér dan voldoende feiten beschikbaar die politici zouden mogen aansporen tot bescheidenheid.

Zo was er de CPB-studie naar het zeer magere effect van maatregelen en geld om werklozen aan een baan te helpen. Logisch: werk wordt primair door de markt geschapen.

En dan te bedenken dat de overheid dit type beleid al decennia voert. Ik vrees dat je met een parlementaire enquête een ontluisterende reeks bloopers zou vinden. Melkertbanen, Vermeend-Moorbanen, activerend arbeidsmarktbeleid, miljarden ESF-subsidies, privatisering arbeidsbureaus: een aaneenschakeling van miljardenuitgaven met hoogst beperkt effect.

Typisch zelfoverschatting van de politiek: incompetentie ten top.

Ook had je deze week Rekenkameronderzoek inzake laaggeletterden: mensen die amper kunnen schrijven of rekenen. Een onderschat vraagstuk: waar minister Bussemaker uitgaat van 1,3 miljoen laaggeletterden, schetst de Rekenkamer dat het, 65-plussers meegerekend, om maar liefst 2,5 miljoen mensen gaat.

Wie de basale vermogens niet heeft met instanties te communiceren, raakt geïsoleerd of verliest zich in onaangepast gedrag: de woedende burger.

Dus hier zou ambitie op zijn plaats zijn, maar het onderzoek toont het omgekeerde aan: Bussemaker steekt er amper een vinger naar uit. Ook een vorm van incompetentie, zeker voor een sociaaldemocraat.

Hetzelfde zien we nu al jaren met het grootste vraagstuk van deze tijd: het verschijnsel dat laag- en hoogopgeleiden in geïsoleerde werelden leven, zodat een fundamentele belofte van deze samenleving – dat niet je afkomst maar je talent je toekomst bepaalt – een leugen is geworden.

Ik weet het: niet eenvoudig hier iets aan te doen. Tegelijk is geen onderwerp relevanter: wie getalenteerde kinderen jarenlang achterstelt omdat ze de verkeerde ouders hebben, belemmert de groei van de maatschappij en vergroot de kans dat ze uiteenvalt. Bijzonder dat zo weinig politici dit met kracht agenderen.

Dus of het nu om het gepruts rond die Teevendeal gaat, de holle pretenties inzake werkloosheidsbestrijding dan wel de onderschatte effecten van laaggeletterden en laaggeschoolde ouders: je kunt je uitstekend voorstellen dat mensen zich enorm ergeren aan het verschil tussen de pretenties en de kwaliteit van de politiek.

En ik heb er geen bewondering voor – maar ook het wachtgeldpopulisme van De Telegraaf, geïnitieerd door Hachchi (D66) en deze week verder aangewakkerd door Hans Wiegel (VVD), is tegen deze achtergrond niet helemaal onlogisch.

Oud-Kamerlid Wassila Hachchi, die op gemeenschapsgeld politiek vrijwilligerswerk in de VS doet, maakt de verleiding wel heel groot de bal terug naar Den Haag te spelen. Vroeger zeiden politici over mensen met een uitkering: ze willen gewoon niet werken. Nu zeggen mensen tegen politici met wachtgeld: ze willen gewoon niet werken.

Het is in ieders belang, lijkt me, dat Kamerleden recht op wachtgeld houden: anders zijn straks alleen welgestelden en oud-ambtenaren (die altijd terug kunnen naar de overheid) beschikbaar de risico’s van het Kamerlidmaatschap te aanvaarden. Dan krijgen partijen als PVV en SP, die zo op minder wachtgeld hameren, precies het omgekeerde van wat ze beogen.

Het zou alleen wel helpen, gezien alle gepruts, dat politici wat minder de nadruk op hun eigen voortreffelijkheid leggen. En openlijk zeggen dat ze lang niet alles kunnen, en ze trouwens ook geregeld fouten maken.

Net als de burger zelf.