Alle tijd voor saxofoons met gebreken

Bart Egers (1949-2016) vond zichzelf als saxofonist niet goed genoeg, maar excelleerde als reparateur. Hij sleutelde aan een saxofoon tot hij trots was op zijn werk.

Saxofoonreparateur Bart Egers in zijn Rotterdamse werkplaats.

Een saxofoon heeft 23 à 25 kleppen. Daar zitten leren plaatjes in, ‘polsters’, die perfect moeten sluiten. De kleppen kunnen tijdens het spelen gaan tikken – bijgeluiden die te bestrijden zijn met viltjes en kurkjes. Sommige kleppen zijn onderling verbonden door stangen met asjes erin, zodat één vinger meer kleppen tegelijk kan bedienen. Kleppen, viltjes, kurkjes, polsters, veertjes, stangen, asjes: dat alles soepel te laten lopen is een kunst. Bart Egers had die in de vingers.

Egers, eind maart overleden aan kanker, kon met zijn precisiewerk de meest kritische saxofonisten bedienen. Zijn klantenkring was de top van Nederland. Maar ook bij minder veeleisende klanten deed hij zijn uiterste best. „In mijn werkplaats wordt arbeid verricht, geen handel bedreven”, staat op de website van zijn eenmansbedrijf De Razende Saxofoon, naar de titel van een roman uit 1931 van Simon Koster. En: „De klant is weliswaar koning maar de reparateur wil trots op zijn werk kunnen zijn”. Op de homepage hangt nu een briefje met de mededeling: Sorry I’m dead.

Bart Egers werd geboren op Aruba. Zijn vader, ingenieur, werkte bij Esso en had als hobby een werkplaats aan huis. De vier kinderen groeiden op tussen het gereedschap en zeilend op zee. Oudste zoon Bart vertrok als tiener naar een kostschool in Nederland, het Canisius College in Nijmegen, en was een van de eerste studenten werktuigbouwkunde op de nieuwe campus van de TH Enschede. Na een jaar stapte hij over naar de hts in Arnhem. Een stage in Venezuela bij het bedrijf waar zijn vader werkte, ketste af omdat hij zijn lange haar niet wilde afknippen. Tijdens een stage in Amsterdam sloot hij zich aan bij de Kabouterbeweging. Een week voor zijn afstuderen liet hij zijn ouders weten dat hij de hts verruilde voor de studie sociologie. Die maakte hij ook niet af.

Intussen was hij in de ban geraakt van jazz. „Wij waren daar helemaal door gegrepen”, zegt zijn broer Paulus. „Het bepaalde ons leven.” De broers bezochten alle mogelijke concerten en kochten in 1978 ieder een altsaxofoon. Bart maakte samen met zijn vader een kamer geluiddicht om daar fanatiek te kunnen studeren. Hij voelde zich thuis in de jazzscene rond het Nijmeegse politiek-cultureel centrum O42 en speelde vijf jaar in het Flatulentia saxofoontrio. Toen hield hij het spelen voor gezien. Na een optreden in Amsterdam had een recensie in Trouw melding gemaakt van „de met zijn grote tenen wapperende Egers”, voor wie „zuiverheid, inzetten, timing en swing” een probleem leken te zijn. Vriend Bo van de Graaf, leider van het trio: „Hij kon erom lachen, maar toch: Hij vond zichzelf ook niet goed genoeg.”

Wel bleef Egers knutselen aan saxofoons, iets waar zijn broer mee begonnen was toen hij inwoonde bij een saxofoonreparateur. Wat begon op de keukentafel groeide uit tot een solide broodwinning: Een groot deel van de Nijmeegse jazzwereld, bevolkt door studenten en andere minvermogenden, speelde op zesdehands saxofoons die veel onderhoud vergden. Zijn werkkamer werd lichtdicht gemaakt, om met een lamp in de beker te kunnen controleren of de kleppen goed sloten. Voor technische kwesties ging hij soms te rade bij Nico Bodewes, een reparateur op de Amsterdamse Wallen.

Eind jaren negentig verhuisde Egers naar Rotterdam, waar hij via zijn zwager een atelierwoning kon huren. Zijn werkplaats, de benedenetage van zijn woning, werd zijn biotoop. De ruimte van vijf bij zes, boeken, muziek – meer had hij niet nodig. Zijn fenomenale kennis over jazz deelde hij graag met vrienden, die knipsels en later linkjes toegestuurd kregen. Elke werkdag luisterde hij ’s ochtends naar een radioprogramma over altsaxofonist Charlie Parker op WKCR, een jazz-zender in New York. Zijn leven zou eindigen op de klanken van Parkers Bird of Paradise.

In een kaartenbakje hield hij nauwgezet de reparaties bij. Soms bracht hij een door een ongeluk geplette sax weer in speelbare toestand. Twee maanden werkte hij voor Rik van den Bergh aan een baritonsax uit 1933. De factuur, met een bedrag dat niet in verhouding stond tot de hoeveelheid werk, was tot de kleinste onderdelen gespecificeerd (stootplaatje hoge F, veernokje G# toets, naaldveer 5B).

Klanten mochten dag en nacht bellen. Toen Simon Rigter op een zondagavond met zijn mouw achter een klep bleef hangen terwijl hij maandagochtend een opname had, kon hij ’s nachts om drie uur bij Egers terecht. Dicht ging de werkplaats alleen voor wandelingen met hond Moos, een heidewachtel. De weekends bracht hij zestien jaar lang door bij zijn grote liefde, grafisch ontwerper Mieke Struik, in Haarlem en later Amsterdam.

Nooit zou hij terugkeren naar Aruba, het paradijs van zijn jeugd, of andere verre reizen maken. Het hoefde niet. Hij had zijn bestemming gevonden.