Afdingen

Koningsdag (waarvan ik trouwens nog steeds vind dat het gewoon Koninginnedag zou moeten heten) komt voor noorderlingen qua feestelijkheid in de buurt van wat carnaval voor zuiderlingen is. Een dag waarop je dingen mag doen die je normaal niet doet. Een gekke hoed opzetten en op klaarlichte dag, zwaar beschonken, je oude meuk aanprijzen aan buurtgenoten.

Buurtgenoten (ook beschonken) mogen op voornoemde oude meuk gaan afdingen. Want dat is ook iets wat je in het normale leven misschien niet zo snel doet.

Natuurlijk, er zijn van die mensen die ervan overtuigd zijn dat prijzen altíjd onderhandelbaar zijn. Dat zijn de mensen die het heerlijk vinden om naar ‘onderhandellanden’ op vakantie te gaan en daar voor vijf cent iets te kopen waar ze misschien wel vijfentwintig cent voor hadden moeten betalen, als ze niet zo keihard de onderhandeling in waren gegaan.

Ik hoorde ooit van iemand die sowieso nooit akkoord ging met welke prijs dan ook. Dit was iemand die tot in de Blokker en de Hema aan bedienend personeel kon vragen: „Wat kost dit?” Als de prijs genoemd werd, kwam zij terug met: „Ja, maar wat is míjn prijs?” Vaak kreeg deze persoon nog korting ook.

Ik ben geen onderhandelaar en mijn vriend ook niet. Ooit schaften wij een televisie aan, die in de etalage van de BCC had gestaan. Mijn vriend had gehoord dat je dan moest zeggen: „Wat is de plankprijs?” Dit omdat de tv niet uit het magazijn kwam, maar van ‘de plank’, alwaar hij potentieel onder het stof was komen zitten.

Het werd een gênante vertoning. De jongen van de BCC had nog nooit van de term plankprijs gehoord. En ook kon hij eigenlijk helemaal niets doen met de prijs. Steeds liep hij even weg, en dan zeiden wij tegen elkaar: „Hij kan natuurlijk wél iets met de prijs, maar dat doet hij niet, omdat hij voelt dat wij hier heel slecht in zijn.”

Uiteindelijk kregen we een schermschoonmaakspray kado. „Ter waarde van zeventien euro vijftig!” zei de verkoper. Dat beschouwden we dan maar als ons afdingsucces.