Weg met de hetzerige journalist

Democratie is gebaat bij een waakhond. Maar hoe zorg je dat de pers die taak goed uitvoert? Wie controleert de journalistiek?

Rutger Castricum doet een poging burgemeester van Almere, Annemarie Jorritsma aan de praat te krijgen. Foto ANP

Remko van Broekhoven, politiek wetenschapper én journalist, promoveert vandaag aan de Universiteit Utrecht op de eeuwenoude vraag: welke rol dienen politiek journalisten te spelen in een democratie? Van Broekhoven is in De bewakers bewaakt op zoek naar „morele excellentie” onder journalisten. Alleen zo is het hijgerige en hetzerige van de journalistiek te doorbreken. Maar hoe doen we dat?

Zorgelijk, maar niet hopeloos

De situatie van de politieke journalistiek in Nederland is zorgelijk maar niet hopeloos, schrijft Van Broekhoven. Ja, journalisten die te zeer gericht zijn op scoren verwaarlozen hun informerende en wellicht zelfs opvoedende taak. Mediaconcerns die zich door een commerciële logica laten leiden hechten te weinig waarde aan journalistieke onafhankelijkheid; ze leggen journalisten te hoge productienormen. En de burger, de derde partij, gaat evenmin vrijuit. Die moet zich wel openstellen voor relevante nieuwsgaring. Gevraagd wat hij hier precies mee bedoelt, haalt Van Broekhoven een uitspraak aan van Louis Brandeis (1856-1941) de Amerikaanse opperrechter: „Het belangrijkste politieke ambt is dat van burger.”

En een ambt schept verplichtingen. „Journalisten kunnen niet volstaan met te wijzen op wat burgers willen zien en lezen en burgers hebben, op hun beurt, ook een verantwoordelijkheid om op zoek te gaan naar nieuws dat dieper graaft dan de laatste rel.”

Probleem: er zijn geen regels

De kern van het probleem is al eeuwen dezelfde: politieke pers is cruciaal als tegenmacht, maar de gemeenschap heeft nauwelijks regels opgesteld om de niet-gekozen berichtgevers in toom te houden. En dat is een recept voor problemen. John Stuart Mill waarschuwde in de negentiende eeuw al: media, aan zichzelf overgelaten, voegen zich zo sterk naar wil en smaak van het publiek dat ze hun eigen controlerende taak ondermijnen. Kortom: wie bewaakt de bewakers?

Politiek filosofen zijn, tot Van Broekhovens verbazing, eigenlijk nooit tot een antwoord gekomen. Ze beschrijven slechts het probleem. Neem Jürgen Habermas. Halverwege de jaren negentig schreef hij met grote stelligheid dat er meer wetgeving en verplichtender zelfbinding van journalisten moet komen om verdere schade aan de democratie te voorkomen. Wat voor wetgeving? Dat vertelde de Duitser er niet bij.

Van Broekhoven heeft vooral een aantal praktische tips voor de media die lijsttrekkersdebatten organiseren – dus radio en tv. Zoals: organiseer een debat over kwesties die niet aan bod komen in de campagne. Niet journalisten of politici, maar onafhankelijke experts dienen de onderwerpen daarvoor vast te stellen. Burgers zouden meer vragen kunnen stellen en er moet meer aandacht komen voor feiten checken. Zo denkt hij aan de invoering van ‘hawk-eye’, uit het tennis: iedere debater mag een keer een feitencheck aanvragen. Het moet beschuldigingen als „u liegt” voorkomen.

Plan: tijd voor een beroepseed

Ideeën over vergaande veranderingen in het werk van de journalist zijn vooral buiten de kring van politiek-filosofen in omloop. Zoals de invoering van een beroepseed, vergelijkbaar met die van medici. Wie te vaak zijn gelofte breekt, verliest zijn status als beëdigd journalist en dus zijn baan bij een kwaliteitsmedium. De Raad voor Journalistiek zou bovendien meer als een orde van advocaten kunnen functioneren, met bindende disciplinering. Of neem het voorstel dat hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging lanceerde nadat Rutger Castricum van PowNews hem thuis had opgezocht: de toegang tot het Binnenhof wordt alleen gegeven aan journalisten die aan enkele kwaliteitseisen voldoen.

Het probleem is natuurlijk: wie bepaalt die eisen? Het gevaar: het middel is erger dan de kwaal. Van Broekhoven zoekt een verbetering van de politieke journalistiek wellicht daarom liever in een minder verplichtende ‘deugden-ethiek’, die van de Schotse moraalfilosoof Alasdair MacIntyre. Van Broekhoven komt niet tot een beroepseed, maar tot enkele deugden die vooral voor de journalist relevant zijn: gezond wantrouwen (niet te verwarren met cynisme), verantwoordelijkheidsgevoel en bescheidenheid. Ze zouden als richtlijn moeten functioneren naast deugden die iedere burger helpen: moed, eerlijkheid, rechtvaardigheid.

Is dat niet te vrijblijvend? Van Broekhoven: „Dat denk ik niet. Het journalistieke ambt en de democratie zijn al enorm geholpen als de journalist meer de idealist in zichzelf naar boven haalt.”

Meer voor– en napraten

Hoe? Door zich meer rekenschap te geven van de eigen machtsuitoefening. De journalistiek is een vak van doen, maar dit proefschrift is op te vatten als een pleidooi voor openlijk discussiëren, allereerst door de doeners zelf, op de werkvloer. Er kan niet genoeg door ombudsmannen en in redactievergaderingen worden voor- en nagepraat over wat wel goede journalistiek is en wat niet.

Theoretiseren kost natuurlijk tijd, en is dus in strijd met een commerciële logica die in een tijd van teruglopende oplages om zich heen grijpt. Van Broekhoven richt zich daarom niet alleen op de journalist, maar ook op de organisaties waarin die opereert. „Die moeten ruimte bieden voor reflectie op de dagelijkse realisering van het ideaal.” Want dat lijkt zijn belangrijkste les: betrouwbare informatievoorziening is een ideaal, geen product.