Voor altijd het stigma van de communist

Vijftig jaar na het bloedbad onder communisten kwijnen er nog altijd (vermeende) communisten weg. President Joko Widodo, vandaag op bezoek in Nederland, heeft geen oog voor hun leed.

Eenheid 1 van het beruchte strafkamp van Soeharto op Buru. 12.000 vermeende communisten werden verbannen naar het geïsoleerde Molukse eiland. Foto Nationaal Archief Indonesië

Markis heeft pijn in zijn botten en plast bloed. Medicijnen heeft de 72-jarige niet, behalve wat kruidenbalsem en een zakje paracetamol. Geen dokter die naar het afgelegen dorp Savana Jaya afreist. De enige die zich om hem bekommert is Suhartini (57), zijn vrouw. Zij rent met emmers door hun houten huis. Regendruppels kletteren door het dak, mieren kruipen door de spleten in de muren. Ze legt een deken over het knokige lijf van Markis, aait over zijn zilvergrijze haar.

Wie Markis ziet creperen, ziet hoeveel moeite Indonesië heeft om in het reine te komen met de donkere bladzijden van zijn verleden. President Joko Widodo, die deze vrijdag Nederland bezoekt, verkondigt graag dat hij Indonesië vooruit wil brengen, dat hij de kloof tussen rijke eilanden, zoals Java, en het arme oosten, zoals Buru, wil dichten. Maar voor Markis doet ook ‘Jokowi’ bar weinig. Nog altijd wordt Markis gestigmatiseerd, verwaarloosd en gestraft. Nog altijd wordt hij gezien als een communist. En voor zulke mensen hoeft een Indonesische president sinds 1965 geen zorg meer te dragen.

Tot 1965 was de Partai Komunis Indonesia met drie miljoen leden de derde communistische partij ter wereld, na die van China en de Sovjet-Unie. In dat jaar brak het geweld uit. Onder het mom dat de PKI een staatsgreep beraamde, greep het Indonesische leger keihard in, geholpen door nationalisten, islamitische en kerkelijke bewegingen en knokploegen.

Tussen de 500.000 en een miljoen Indonesiërs werden gedood. Toen de slachtpartij voorbij was, was legerofficier Soeharto de nieuwe sterke man in Indonesië en werden de communisten beschuldigd van het stoken van onrust. Twaalfduizend vermeende communisten, linkse activisten en intellectuelen werden door Soeharto ‘weggegooid’, zoals de gevangenen het noemen. Van het politieke hart van Indonesië werden ze verbannen naar het geïsoleerde Buru.

Cultuur van Straffeloosheid

De cultuur van straffeloosheid en het niet hoeven afleggen van verantwoording werkt tot vandaag door in de politiek en het corrupte rechtsstelsel in Indonesië. Nooit is de communistenjacht van 1965 serieus onderzocht met consequenties voor de moordenaars. Nooit is er aan waarheidsvinding gedaan. De regering van Jokowi lijkt niet van plan zich anders op te stellen dan haar voorgangers. Op een congres over ‘1965’ zei de machtige minister van Politieke Zaken Luhut Panjaitan deze week dat er geen excuses komen: het aantal slachtoffers viel reuze mee, stelde hij.

Het hutje waar Markis lijdt, was vele jaren lang de gevangeniscel waar hij opgesloten zat. Het dorp wordt niet meer omheind door prikkeldraad. De uitkijktorens met militairen zijn afgebroken. In plaats daarvan spetteren waterbuffels in een irrigatiekanaal en fietsen jongetjes op te grote fietsen over straat. Maar wie het weet, ziet het: alle huizen zijn even vierkant en eenvoudig, het stratenplan is kaarsrecht. Dit was eens Eenheid 4 van het beruchte strafkamp van Soeharto op Buru.

Familiealbum

Uit een lade pakt Suhartini het familiealbum. Ze vertelt hoe haar familie verzeild raakte in de storm van 1965. Haar vader, Rabimin Siswo Pranoto, was leraar op een basisschool in Yogyakarta. Rabimin was een gedisciplineerde man. Hij sprak thuis nooit over politiek, maar als er belangrijke zaken werden besproken, werd de mening van Rabimin door de andere mannen in de kampong gewaardeerd. Het gezin was niet rijk. Doordat Rabimin leraar was, konden ze met subsidie rijst, zeep en brandstof krijgen.

„Opeens was vader weg. Na een paar dagen werd duidelijk dat hij in de gevangenis zat. Twee jaar lang hebben we iedere week eten afgegeven bij de poort. We zagen hem nooit”, vertelt Suhartini. In 1969 werd Rabimin verplaatst naar Buru, tweeduizend kilometer oostwaarts. Na een paar jaar schreef Rabimin een brief. „Vader vertelde dat Buru mooi was. Dat er overal mango’s aan de bomen hingen. Hij wilde dat wij hem kwamen vergezellen. Ik wilde niet.”

In de wijk waar ze woonden werd het gezin verstoten. Ze leden honger, hadden geen geld om eten te kopen en kregen van niemand rijst toegestopt. Toch durfden de vrouwen niet naar de strafkolonie op Buru te gaan. Het was het eiland van de moordenaars, had Suhartini op school geleerd.

Maar in 1974 dwongen de autoriteiten het gezin te verhuizen: Suhartini moest met haar moeder Ngabinem (nu 73) en zus Darsini (51) naar haar vader. De eerste jaren leefden de gevangenen gescheiden van hun familie. Later mochten ze samen in de gevangenishut wonen. „We werden wekelijks geteld op de binnenplaats, moesten uren stilstaan en kregen donderpreken van de kampleiding’’, vertelt Suhartini.

In 1977 moest ze trouwen. Suhartini, toen achttien, trouwde met een vijftien jaar oudere man die – net als haar vader – vastzat. Het stel werd samen met vijftien andere paren getrouwd door de kampcommandant. Het was een afgedwongen massahuwelijk: Soeharto bemoeide zich ook met de liefde.

Ze laat een foto zien. In een barak zitten nors kijkende mannen in pak naast vrouwen, tieners nog. Ze dragen bloemenkettingen. „Het was dubbel. Ik was blij, want wij hadden een relatie. Toch voelde het voor ons, jonge meisjes, alsof wij met onze vaders trouwden.” Suhartini trok in bij Markis. Nooit heeft zij durven vragen over zijn verleden. „Hij was een dagloner, geen intellectueel met communistische ideeën. Als ik erover begin, huilt hij.” Het enige wat ze weet is dat Markis op een dag van straat is geplukt, dat hij nooit een proces heeft gehad en pas na jaren op Buru hoorde dat hij was opgepakt omdat hij lid zou zijn van de PKI.

Betaald werd er niet

De mannen moesten op Buru bossen kappen en rijstvelden aanleggen, wegen bouwen en voor vee zorgen. Allemaal zonder betaling, met onvoldoende gereedschap, eten en water en met de constante dreiging dat ze zouden worden geslagen. „Het heeft mijn man gebroken”, zegt Suhartini.

Erkenning is er niet. Op den duur werden de mannen vrijgelaten, maar hun leven veranderde amper. Nog steeds zitten ze op Buru, ver van hun geboortegrond op Java. Oprechte excuses heeft de familie – net als de nabestaanden van de massamoorden, door velen beschouwd als genocide – nooit gekregen.

In 2000 bood toenmalig president Abdurrahman Wahid excuses aan voor de rol in de moordpartijen van een islamitische jeugdorganisatie waarvan hij voorzitter was. Maar Wahid had weinig statuur en werd later afgezet. „De excuses van Wahid waren belangrijk. Eindelijk zei iemand dat wij niet schuldig maar slachtoffer waren. Het is droevig dat het daarbij gebleven is”, zegt zus Darsini, die ook is aangeschoven.

Nog steeds worden de voormalige politiek gevangenen gestigmatiseerd. Een neefje van Darsini en Suhartini wilde bij de politie, voldeed aan alle eisen. Hij werd niet toegelaten. „Hoeveel hij ook betaalde, het lukte niet”, zegt Darsini.

Waarom de autoriteiten bang zijn voor het verleden? Dat weet Tarony. Tarony (75) is anders. Duizenden gevangenen op Buru beweerden niets met communisme te maken te hebben. Ze zeggen te zijn verlinkt door hun buren, omdat ze een mooie vrouw hadden, omdat ze een goede baan hadden, omdat hun kop de autoriteiten niet beviel. Niet Tarony. „Ik ben communist’’, zegt hij. „Wij waren de kinderen van de natie. Alle boeren en arbeiders steunden ons. Als collectief gingen wij Indonesië groot maken”, zegt hij.

Tarony beweert als communist in het leger te hebben gezeten. Toen hij klaar was met zijn officiersopleiding zou hij zijn gearresteerd vanwege lidmaatschap van de 30-Septemberbeweging, een groep militairen die op die dag in 1965 een staatsgreep trachtten te plegen. Of dat klopt wil Tarony niet zeggen: „Nog steeds kunnen ze mij pakken. Ik ben als een breekbaar ei op het gewei van een hert.”

Wel kan hij het stigma verklaren, zegt hij. „De generaals, de leiders van religieuze instanties en politici zijn nog steeds bang dat hun moment van zwakte, het besluit om te moorden, openbaar wordt. Hun zwakheid toegeven betekent schuld bekennen”, zegt Tarony.

Pramoedya Ananta Toer

Tarony behoort tot de groep intellectuelen die vastzaten op Buru. Onder hen bevond zich ook Pramoedya Ananta Toer, wellicht de meest vooraanstaande Indonesische schrijver. Tarony weet te vertellen waar het gevangenishuis van de schrijver staat, nu een kantoor van de gemeente. Voor de poort geen plakkaat of informatiebord waarop staat dat daar de beroemdste Indonesische literaire werken (bijvoorbeeld Aarde der mensen) zijn geschreven. Tarony: „Ze zijn bang zijn grootheid te erkennen. Dat is hoe groot de angst nog steeds is.”

Vorig jaar bezocht president Joko Widodo Buru, om de rijstproductie in de Molukken aan te prijzen en te stimuleren. Met een helikopter vloog hij over de huizen van Darsini, Suhartini en Tarony op weg naar de rijstvelden, aangelegd door de politieke gevangenen. Geen woord maakte de president vuil aan hun lot, geen poging deed hij hen te ontmoeten.

Dat er geen excuses komen, vindt Ngabinem, de moeder van Suhartini, pijnlijk. Ze verwacht niet dat de president deemoedig langskomt. „Soeharto was de enige die werkelijk zijn excuses moest aanbieden. Hij is dood, net als mijn man.” Ook hoeft ze geen schadevergoeding. Waar ze vooral naar verlangt, is vergeving. „Vergeving betekent rust. Het betekent dat we verder kunnen”, zegt ze.

Twee dagen na het bezoek van NRC aan Savana Jaya komt er een einde aan het vijftigjarige verblijf van Markis in de openluchtgevangenis van Buru. Hij sterft in zijn hut met de grote kieren.