Theater van de angst

In de jaren zeventig waren gijzelingen populair, maar er kwam geen terrorismewet. Op rechts noch links werd er mee gescoord. Er waren geen ‘makelaars in angst’. Westerman zoekt het woord tegen de terreurdaad.

Illustratie Joost Hölscher

Het lijkt een scène uit een B-film. Ergens op een afgelegen terrein is een namaakdorp gebouwd, volslagen nep, maar wel met betonnen bouwsels. Sommige huizen zijn aan flarden geschoten. Er staat een station en een bushalte. Overal liggen poppen, opgevulde overalls tussen uitgebrande auto’s. Hier oefenen de Nederlandse veiligheidstroepen, de politie en speciale eenheden in het bestrijden van activisten, extremisten, terroristen en criminelen. Dat oefenen bestaat uit schieten en bestormen, maar er is ook een unit van de Politieacademie die zich toelegt op het bepraten van de daders. Zo leren ze hoe je met terroristen kunt onderhandelen.

Het is allemaal waar gebeurd. Frank Westerman (1964) beschrijft de scènes in Een woord een woord als een filmset. Sinds 1975 heeft Nederland zo’n oefenterrein en zo’n bataljon oefenonderhandelaars. Westerman ging er op bezoek en volgde een training tot onderhandelaar. Hij schrijft ook over Tsjetsjeense terreur in Rusland, die hij van nabij meemaakte, maar vooral over het terrorisme in Nederland in de jaren zeventig.

Veertig jaar geleden was gijzelen erg populair. Bankrovers deden het, in Enspijk in 1973. En Molukse activisten vochten voor een onafhankelijke Molukse staat. De tweede generatie Molukkers meende zo de regering zo ver te krijgen dat ze de zaak van de RMS bij de Indonesische regering en de VN zou bepleiten. De Molukkers schoten agent Hans Molenaar in Wassenaar dood (1970). Op 2 december 1975 kaapten ze de stoptrein van Groningen naar Zwolle, ter hoogte van de plaats Wijster. Machinist Hans Braam werd meteen doorzeefd; twee passagiers werden geëxecuteerd. Gelijktijdig nam een andere groep het Indonesische consulaat in gijzeling. Ook daarbij viel een dode. De gijzelnemers gaven zich op 14 december over.

Pappen en nathouden

Dat waren andere tijden, en ogenschijnlijk ook andere typen terroristen. Of niet? Toen waren ze ook bereid te sterven, net zoals veel jihadisten nu eisen formuleren (die uiteraard net zo utopisch of dystopisch zijn als die van hun Molukse of revolutionaire collega’s destijds). Er is over het terrorisme van de jaren zeventig al veel geschreven, zelf heb ik ook met stijgende verbazing de protocollen en notulen van de besprekingen in het ministerie van Justitie, in Assen van het crisisteam zelf, en de dossiers van de daders bestudeerd. Hoe serieus en oprecht de mensen van politie, justitie en de BVD toen ook waren – ze deden maar wat.

In de jaren zeventig, tussen 1970 en 1979 kwamen in Nederland 21 mensen om bij aanslagen en terroristische gijzelacties, onder wie zes daders, twee politieagenten, twee douaniers, passanten en drie buitenlanders. Er werd daarom al meteen in 1970 (en niet pas na 1975 zoals Westerman meent) ook geprobeerd iets van een protocol op te zetten: ‘Wat te doen bij gijzelacties’ en ‘wat te doen bij bomaanslagen’, gecomponeerd door de roemruchte politiecommandant Blaauw. Teams uit Nederland gingen in de leer bij de FBI, bij de Duitse nieuwe eenheden van de GSG9 (die na het Olympische debacle bij München in 1972 werden opgericht). Maar wat vooral opviel, was het feit dat er één partij ontbrak die nu bij de minste of geringste terrorismedreiging meteen op de achterste benen staat. Dat was het parlement.

Minister van Justitie Van Agt en in veel mindere mate premier Den Uyl stippelden de koers uit, ingefluisterd door hun politie-experts. Die koers hield in: zo lang mogelijk onderhandelen, praten, de dialoog aangaan en de betrokken partijen (lees: de Molukkers) betrekken in commissies en praatgroepen. Daar komt de mythe van de ‘Dutch approach’ vandaan, die al in 1989 als ‘pappen en nathouden’ (Peter Klerks) werd omschreven. Maar dat was dus een mythe. Ten eerste omdat het geen strategisch dichtgetimmerde, centrale en doordachte aanpak was, maar het gevolg van een gebrek aan centrale sturing. Elke politiedienst bepaalde zelf wel of en wanneer er geschoten moest worden. Ten tweede was die zogenaamde Nederlandse aanpak van ‘bepraten’ een mythe omdat er achter de schermen wel degelijk keihard werd ingegrepen. Molukse wijken werden met bulldozers tegen de vlakte gereden, de BBE’s (Bijzondere Bijstands Eenheden) schoten met scherp en legden in 1977 zes daders alsmede twee passagiers (per ongeluk) om. Bij de laatste Molukse actie in 1978 werd er niet langer gepraat maar doken de mariniers er al na een dag in, en transformeerden het Provinciehuis van Assen tot een scène uit een oorlogsfilm.

Waarom duikt dan toch steeds weer die mythe van die zachte aanpak op? Dat had ermee te maken dat de sociaal-democratisch geleide regering er zo min mogelijk een ‘Theater van de angst’ van wilde maken, bewust de bestrijding onder de radar wilde houden, en geen verdere polarisatie en vooral geen ‘gedoe’ wilde creëren. Den Uyl had zelf bovendien een afkeer van de inzet van ‘gewelddadige’ eenheden. Hij zag dat als een nederlaag. Dat het ‘theater’, vergeleken met situaties in Duitsland, Italië, Frankrijk of de VS, zo beperkt bleef, kwam doordat het parlement zich er nauwelijks mee bemoeide en de media op verzoek van Van Agt zeer terughoudend berichtten.

Na de twee grote Molukse kapingsacties waren er debatten, en in 1973 werd de ‘Terreurbrief’ gepresenteerd. Maar het debat werd al snel in algehele consensus afgesloten. ‘We moesten de open samenleving maar niet ondermijnen’, en de boel gewoon aan de politie overlaten. Terrorisme was geen munitie voor partijpolitieke campagnes. Noch op rechts noch op links werd ermee gescoord of serieus stemming mee gemaakt, hoewel de verkiezingen van 1977 midden in de tweede treinkaping vielen. Er waren nog geen politieke of publicitaire ‘makelaars in angst’, ondernemers in polarisatie die hier munt uit probeerden te slaan. En er waren evenmin twitterende burgers. De zwart-witfoto’s van de trein was het beeld waar de natie en de wereldpers het mee moesten doen. Toen er een schim uit de trein viel (de executie van een passagier), viel men massaal over de (buitenlandse!) fotografen en filmcrew heen. Het was niet fatsoenlijk om zoiets te filmen.

Het opmerkelijkste van deze episode van Nederlands terrorisme en contraterrorismebeleid was dat deze verrassend goede resultaten opleverde. Dat klinkt cynisch gezien het hoge aantal slachtoffers (21!), maar het gebrek aan aandacht hield de (impact van de) golf van radicalisering beperkt. Na zo’n kleine tien jaar was het voorbij met Palestijnse aanslagen, Molukse acties, revolutionaire bommeldingen. Alleen buitenlandse terroristen gingen in Nederland nog een paar jaar door, vooral de IRA en de Armeniërs.

Ten kwade

Waarom deze verhalen uit de oude doos? Omdat Frank Westerman naast een gouden pen en een verbluffende historische verbeelding een ijzersterk motto heeft: ‘Stoppen met vertellen verandert de wereld ten kwade.’ Voor Westerman is de correspondent een ‘delver van kostbare feiten – de onvervangbare brandstof voor dialoog en debat, voor inleving en begrip’. Als historicus kan ik dat hartgrondig beamen.

‘Sinds 9/11, de moord op Theo van Gogh, en helemaal sinds de beulen van IS hun onthoofdingsfilmpjes online zetten, vraag ik me af of wij als samenleving überhaupt wel een verbaal verweer hebben tegen terreur [...] Praten noch schrijven haalt iets uit, de zwarte vlag en de kalasjnikov rukken op.’ En dan de nekslag voor onze professies: ‘Nog even en een pen voelt aan als een antiek instrument, op een oubollige manier museaal’.

Quod non. Want Westerman weet de aanslagen van meer dan veertig jaar geleden bijna zo dichtbij te brengen als die in Parijs vorig jaar en hij laat zien wat je met onderhandelingen nog kunt bereiken, misschien niet met de directe daders, maar wel met de kringen daaromheen, wat voor de informatievoorziening ook cruciaal is. Het is wel jammer dat hij daarbij niet vermeldt dat historici al die feiten en relazen de afgelopen twintig jaar al vaker bij elkaar hebben geharkt, en zich daarvoor veel moeite in de zoektocht naar archieven en gesprekspersonen hebben getroost. Denk aan het werk van Peter Klerks, Erwin Muller, Peter Bootsma, Maarten van Riel, Jacco Pekelder, Siem Eikelenboom, en ja, deze opmerking is ook ingegeven door mijn eigen onderzoek naar terrorismebestrijding in de jaren zeventig. Als verhalen vertellen zo belangrijk is, laten we dan ook de bestaande verhalen en de daaruit voortvloeiende inzichten respecteren. Journalisten en publicisten hebben nogal eens de hebbelijkheid hun schrijfsels zonder context op de markt te gooien en zo de indruk te wekken zélf dit verhaal als eerste te vertellen, en daarbij ook nog een hele serie nieuwe archiefvondsten over het hoofd te zien.

Westerman maakt niet goed duidelijk wat hij zelf heeft onderzocht, wat nieuw is, en waar zijn eigen creativiteit en verbeelding beginnen. Dat is in zo’n historiografisch, inmiddels best wel druk beschreven veld een beetje jammer en onnodig. Die slordigheid leidt ertoe dat Westerman (toch een ervaren journalist) op pagina 71 stelt dat we niet weten wie de term ‘Dutch approach’ heeft gemunt. Dat is echt aperte onzin, want de krijgswetenschappers Thijs Brocades Zaalberg en Joseph Soeters hebben daar een prikkelende polemiek over gevoerd, en in het werk van de hierboven genoemde auteurs (plus Engelstalige artikelen in de beste terrorismetijdschriften) zijn juist de genealogie en de effectiviteit van die benadering royaal uit de doeken gedaan.

Dat Westerman meent dat onderhandelen pas sinds 1975 een vak is, had eenvoudig gecorrigeerd kunnen worden. De opleiding en protocollen hiervoor werden vanaf 1970 voorbereid – maar de politie-experts die hier meer werk van wilden maken moesten wachten tot de kaping bij Wijster voordat ze het groene licht van de politiek kregen. Niets nieuws onder de zon.

Harde uithaal

Ernstiger vind ik het feit dat Westerman nergens schrijft dat er al ten tijde van de kaping in 1977 en zeker daarna veel onvrede ontstond over de eigenmachtigheid van onderhandelaar Mulder. Hij laat een harde uithaal van Mulder aan het adres van Havinga onbecommentarieerd, hoewel daar veel op af te dingen is. In historische analyses wordt duidelijk dat Mulder in zijn eindeloze gesprekken zijn grenzen heeft overschreden en de kapers in 1977 een uitkomst heeft voorgespiegeld die er mogelijk toe leidde dat zij langer aan hun onhaalbare eisen bleven vasthouden. Onderhandelen en praten werkt wel, maar moet heel strikt gemonitord worden, en de onderhandelaar zelf moet voortdurend onder controle en begeleiding staan. Anders werkt het woord juist averechts.

Een laatste punt van kritiek betreft de hoge mannendichtheid. Er komt amper een vrouw in het boek voor. En ook dat berust op kortzichtigheid. Westerman haalt uitgebreid ex-kaper Abé Sahetapy aan, een man die al veelvuldig zelf de media heeft opgezocht. Ook gaat hij uitgebreid op de koffie bij onderhandelaar ‘Dr. Havinga’. Maar kaapster Hansina Uktolseja, mevrouw Soumokil, of justitievoorlichtster Toos Faber – beiden speelden een grote rol in de communicatie – komen niet of nauwelijks aan bod. Van Hansina wordt alleen de bekende afscheidsbrief geciteerd terwijl er over haar rol in de trein en in het radicaliseringsproces veel meer te vertellen is.

Toch is Westerman het laatste woord gegund. Want hij is een rasverteller die zijn vertellingen inzet als wapen tegen verdere verharding en polarisatie. Via verhalen en informatie kunnen radicalen en terroristen aan het twijfelen worden gebracht. Dat dit inderdaad werkt, als één van de wapens in de strijd, daar is inmiddels veel bewijs voor. Ook met religieuze en ideële terroristen levert praten altijd wat op, zelfs nog tijdens de kapingen of acties – hiervoor haalt Westerman dan weer wel recent een alom gerespecteerd onderzoek van Adam Dolnik aan. Maar belangrijker nog dan het praten met terroristen is het bepraten van de media en de samenleving. We kunnen dat theater van de angst helaas niet meer met vereende krachten onder de pet houden. In een tijdperk van vergaande transparantie, maar ook van radicalisering in de media is het bieden van feitelijke relazen, verhalen over wat werkt, en over hoe het werkt een tegengif tegen gevaarlijke spierballentaal, onnuttige en desastreuze retoriek. Ook de publieke opinie heeft in bange tijden houvast nodig, wil weten hoe het zit en hoe de terroristische dreiging geduid moet worden. Laten we hopen dat er gauw een tweede, herziene druk komt zodat Westermans meeslepende relaas ook historisch onderbouwde waarde krijgt.