Stinkend rijk Koeweit moet bezuinigen

Ook verzorgingsstaat Koeweit moet op de uitgaven letten. De oliesector staakte de afgelopen dagen, met succes. „Zelfs als we verwend zijn, willen we dat zo houden.”

Stakende werknemers in de olie-industrie in Al Ahmadi in Koeweit. Zij protesteerden tegen aanpassing van salarissen en arbeidsvoorwaarden. Foto Stephanie McGehee / Reuters

Aanvankelijk dacht Koeweit dat de ingestorte olieprijs wel weer zou opkrabbelen. Maar inmiddels is het besef doorgedrongen dat er wel iets aan de uitgaven moet worden gedaan. Het is alleen lastig bezuinigen in de ultieme verzorgingsstaat die Koeweit is. Deze week waren er zelfs stakingen in de oliesector.

In de gang van het kantoor van de overkoepelende vakbond staan stapels pakjes vruchtensap, voor de stakers die hier de dag ervoor nog de deur platliepen. Binnen zitten de organisatoren van de staking in blauwe overalls te roken op versleten banken. Op tafel ligt een boek over de oliegeschiedenis van het land. De mannen zijn moe, ze hebben de afgelopen dagen niet geslapen, te druk met staken.

De staking werkte. De olieproductie kelderde van 3 naar 1 miljoen vaten per dag en leidde tot een kortstondige, lichte opleving van de wereldprijzen. Dat laatste kwam de regering op zich goed uit, maar niet op deze manier.

„De emir heeft ingegrepen, met de belofte dat als wij de staking beëindigen, niemand wordt vervolgd en al onze eisen worden ingewilligd”, zegt olie-ingenieur Saad Alkanderi (32). Die eisen waren simpel: kom niet aan onze verworvenheden. De oliesector is weliswaar volledig in staatshanden, maar de arbeidsvoorwaarden en salarissen zijn beter dan die bij de overheidssector. De minister van Financiën had het eerder deze week op tv nog voorgerekend: het gemiddelde maandsalaris bij de overheid is 1200 dinar (ongeveer 3600 euro), in de oliesector is dat 5200 dinar (ongeveer 16.000 euro).

„De grootste leugen ooit”, briesen de mannen. „We verdienen meer, maar niet zó veel meer. Onze salarissen zijn marktconform. Ons werk is ver weg, het is gevaarlijk werk, het is écht werk.” Ze vinden dat ze niet op één lijn kunnen worden gesteld met de gemiddelde ambtenaar. Abdullah Alkanderi (30) van Personeelszaken van Kuwait Oil Company, dochter van staatsoliebedrijf Kuwait Petroleum Company, bevestigt: „De salarissen liggen zo’n 70 tot 80 procent hoger, maar geen 400 procent.”

De mannen strijden tegen het beeld dat de afgelopen dagen in de media van hen is ontstaan: grootverdienende graaiers die weigeren te helpen hun land uit het slop te trekken. Saad Alkanderi: „Dat doet pijn, we houden van de sector, zijn juist bang dat die op deze manier om zeep geholpen wordt.” Abdullah Alkanderi geeft wel toe dat ze enigszins verwend zijn: „Maar zelfs als dat zo is, willen we dat graag zo houden.”

De staking is symptomatisch voor Koeweit. Allereerst omdat er überhaupt gestaakt wordt. In de andere Golfstaten is dat vrijwel ondenkbaar. „Daar sturen ze het leger erop af”, denkt student olie- en gasrecht Yacoub Yousef (22). Koeweit daarentegen heeft een lange, en hobbelige, traditie van inspraak. Vakbondsleiders worden gekozen, net als de besturen van coöperatieve supermarkten. Er is een redelijk functionerend parlement en een wet die het stakingsrecht garandeert, zij het na verplichte bemiddelingspogingen.

Bakken met geld verdiend

Pogingen „hebben we gedaan”, zegt ingenieur Saad Alkanderi. „De minister bleef eerst op zijn telefoon kijken. Later hield hij daar op ons verzoek mee op, maar verder gaf hij geen millimeter toe.” Hij begrijpt dat de regering op zoek is naar geld, maar denkt dat er andere oplossingen zijn. „We hebben hun laten zien hoeveel onzinnige kosten er worden gemaakt voor consultants van buiten die voor vele miljoenen een schets maken. Wij kunnen dat ook. Het kost hoogstens een extra maandsalaris aan overwerk.”

Hij vertrouwt de beweegredenen van de regering niet, denkt dat de lucratieve adviesdeals beschermd worden. „Achter die consultancybedrijven zitten Koeweiti’s.”

Ook dat is symptomatisch, het gebrek aan vertrouwen in de regering, die niet is gekozen maar wordt aangesteld door de emir. Cijfers en bewijs zijn er niet, maar het staat voor de Koeweiti’s vast dat de elite jarenlang bakken met geld heeft verdiend aan onduidelijke deals. Het zou om miljarden dollars gaan.

In Al Ahmadi, zo’n 75 kilometer van Koeweit-Stad, ademt alles olie. Het is een relatief groen jaren-vijftigdorp in de woestijn, gebouwd door internationale oliebedrijven, vóór de nationalisatie van de olie-industrie. Het hoofdkantoor van Kuwait Oil Company staat er en elk gebouw heeft een functie in de olie, van het centrum voor snuffelhonden tot aan het ziekenhuis. Alle inwoners werken in de olie. Dat zijn allang geen Amerikanen meer, maar lagelonenwerkers uit India, Egypte of Indonesië. Zij staakten niet. Zij worden niet door de wet beschermd en zijn bang hun banen te verliezen. Dat heeft de regering ook in de gaten – daarom had het laten weten dat stakers zonodig allemaal vervangen zouden worden door niet-Koeweiti’s. Een vreemde opmerking nu één van de oplossingen voor de kwetsbare olie-economieën wordt gezocht in meer eigen mensen aan het werk krijgen en minder afhankelijk zijn van buitenlanders.

Bezuinigingsvoorstellen buiten de oliesector worden, na hevig parlementair verzet, meestal gevolgd door een tegenvoorstel ten koste van die buitenlanders (zo’n twee miljoen, op ongeveer 1 miljoen Koeweiti’s). Elektriciteit mag bijvoorbeeld binnenkort best in rekening worden gebracht, maar dan alleen in appartementsgebouwen waar expats wonen. Dat lijkt alleen praktisch gezien al geen haalbare kaart: er zijn nooit individuele meters geïnstalleerd.

Het gaat allemaal moeizaam. Anders dan in de andere Golfstaten bleven bezuinigingsmaatregelen tot nu toe dan ook uit, laat staan dat er echt wordt nagedacht over economische hervormingen. En bij gebrek aan openheid geloven Koeweiti’s eigenlijk ook niet dat die nodig zijn. Dat wreekt zich nu: wil je het volk in goede tijden niet laten zien hoeveel je te besteden hebt, dan kun je het in slechte tijden ook niet overtuigen dat de koek op is.