Medicijntests moeten deugen

De prijs van medicijnen is een onderwerp dat niet meer genegeerd kan worden. Het was een zaak die in de directiekamers van grote farmaceutische ondernemingen werd geregeld. Zij maken de medicijnen en kunnen, zoals elke producent, de prijs bepalen, wetende dat er vaak geen vergelijkbaar product op de markt is.

Maar met de snelle ontwikkeling van dure medicijnen voor een beperkte groep patiënten en de noodzakelijke beheersing van de kosten van de gezondheidszorg zijn prijzen voor iedereen van belang. Van medici tot de minister van Volksgezondheid.

De bevestiging dat de helft, of misschien wel meer, van de klinische studies voor de toelating van nieuwe geneesmiddelen niet deugt, geeft de discussie over de medicijnprijzen een vervelende wending. In een interview met NRC erkende voorzitter Bert Leufkens van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) met zoveel woorden dat het soms bar en boos is. Dat College beslist over de vraag of een nieuw medicijn voorgeschreven mag worden en betaald wordt door de zorgverzekeraars. Voor de geneesmiddelenindustrie staat er dus het nodige op het spel.

De grote boosdoeners bij de medische studies zijn: een groep patiënten zo samenstellen dat de gewenste uitkomst binnen handbereik komt. Langs de rand van het statistisch acceptabele gaan bij het interpreteren van de resultaten. En het laten meewegen van eigen belangen bij de farmaceutische industrie.

Het College en diens Europese koepel EMA moeten het aantal ondeugdelijke klinische studies snel terugdringen en mogelijke belangenverstrengelingen tegengaan. Dat is taai werk. De sleutelwoorden moeten zijn informatie en openheid. CBG en EMA zijn op de goede weg met registers waarin de werking van nieuwe geneesmiddelen ná de toelating kan worden gevolgd en informatie kan worden aangevuld.

Het tegengaan van belangenverstrengeling is een verhaal apart. De aanzetten in Nederland zijn er, zoals een register met zakelijke belangen tussen medici en de farma-industrie. Meer openheid is dringend gewenst. De casus van VU-hoogleraar Meijer die zakelijke belangen bij wetenschappelijke publicaties veelvuldig niet vermeldde, is hierbij geen lichtend voorbeeld. Een onderzoekscommissie concludeerde deze week dat sprake was van „enigszins verwijtbare onzorgvuldigheid”, en dat heeft geleid tot een „uiterst geringe schending van het vertrouwen in de wetenschap”. Dat schept weinig vertrouwen in het zelfreinigend vermogen van de wetenschap. Zoals een vrouw niet een beetje zwanger kan zijn, kan een wetenschapper niet een beetje onzorgvuldig zijn.