Is dat nou wel zo verstandig, nog meer monumenten?

Rotterdam wil beter haar best doen om haar cultureel erfgoed te beschermen. Deze week kondigde wethouder Pex Langenberg (D66, Cultuur) aan jaarlijks 20 panden voor te dragen als gemeentelijk monument. Eindelijk, zeggen betrokkenen. Tegelijkertijd zijn er zorgen.

Tijdens de vorige collegeperiode gold een stop op het aanwijzen van monumenten, vanwege forse bezuinigingen op het overheidsapparaat. Bond Heemschut, een van de drie erfgoedverenigingen waarmee de gemeente intensiever gaat samenwerken, spreekt dan ook van een welkome inhaalslag. „Het gaat steeds beter, maar Rotterdam loopt nog ver achter”, zegt Mathijs Witte, beleidsmedewerker van Heemschut. Met name de bescherming van wederopbouwkunst baart hem zorgen.

Momenteel telt de stad zo’n 1000 monumenten, waarvan 400 gemeentelijke. Die worden overzien door een handvol ambtenaren van bureau Monumenten en Cultuurhistorie. Dat zouden er veel meer moeten zijn, wil de stad serieus met haar erfgoed omgaan, stelt VVD-raadslid en oud-cultuurwethouder Antoinette Laan. Laan vreest dat het aanwijzen van nieuwe monumenten nadelig uitpakt voor bestaand erfgoed. „Er is geen mankracht om dit te controleren.”

Dat een monumentenstatus geen garantie is voor een betere toekomst, is bekend. Neem het rijksmonumentale Van Waning-pand uit 1898, gemeentebezit, aan de Nijverheidsstraat op Zuid. Met zijn gebarricadeerde ramen en deuren, afbladderende kozijnen, scheuren in het beton en hoge bouwhekken rondom. Of het Angolese consulaat-generaal aan de Mathenesserlaan, dat vorig jaar zonder restauratieplan of vergunning verbouwd werd. Toen de gemeente het in de gaten kreeg, stond de poreuze buitengevel al in de witte verf.

Tot de voorgedragen monumenten behoren onder meer de Overschiese Dorpsstraat 64 en Ceintuurbaan 104 in Hillegersberg. Na de zomer wordt de definitieve lijst bekend, omdat de eigenaren bezwaar kunnen aantekenen. Want wonen en werken in een monument is met regels omgeven.