Hete strijd door Europese crisis

Al decennia leveren ÖVP en SPÖ de president. Door de eurocrisis en de vluchtelingencrisis heeft Oostenrijk nu genoeg van zijn politieke establishment.

De Hofburg in Wenen, waar zich ook de ambtswoning van de Oostenrijkse president bevindt.

Heel Oostenrijk hangt vol saaie posters van zes presidentskandidaten waar de airbrush stevig overheen is gegaan. Elke avond zijn de kandidaten op tv. Aan welke tafel je dezer dagen ook aanschuift, al snel begint het eindeloze gespeculeer over wie zondag de presidentsverkiezingen wint. Of de eerste ronde, althans.

Waarom winden Oostenrijkers, die een diepe afkeer van de politiek hebben, zich voor het eerst sinds decennia zo op over een nieuw staatshoofd, dat vooral ceremoniële functies heeft? Het antwoord is simpel: omdat het voor het eerst sinds 1951 vrijwel zeker níét iemand wordt van de twee partijen die het politieke landschap sinds de Tweede Wereldoorlog hebben gedomineerd.

De conservatieve ÖVP en de socialistische SPÖ vormen nog altijd samen een regering. Maar de vraag is: hoelang nog? Bij de vorige verkiezingen haalden ze samen nog net een meerderheid: 50,8 procent. De volgende keer, denken velen, zijn ze die meerderheid kwijt.

Door de eurocrisis en de toestroom van vluchtelingen – Oostenrijk kreeg in 2015 90.000 asielaanvragen en bouwt nu hekken om het land – is de extreem-rechtse FPÖ intussen in de peilingen de grootste partij van het land. In die zin zijn deze presidentsverkiezingen een voorschot op de politieke aardverschuiving die hier bij de parlementsverkiezingen in 2018 kan optreden. En juist omdat de president relatief onbelangrijk is, denken kiezers dat ze deze verkiezingen kunnen aangrijpen om het establishment eens een stevig signaal te geven.

Een verstandige grootvader

De peilingen wijzen in ieder geval in die richting. De Groene presidentskandidaat Alexander Van der Bellen en Norbert Hofer van de FPÖ gaan aan kop met rond de 25 procent van de stemmen. Van der Bellen, die met zijn imago van verstandige grootvader en zijn droge gevoel voor humor de afgelopen maanden favoriet was, ligt lichtjes voor. Hij doet als onafhankelijke kandidaat mee.

Ook nummer drie, oud-rechter Irmgard Griss, kan haar partijloosheid tot een van haar grootste assets rekenen. Velen geven ook haar een gerede kans om de tweede ronde te halen. Die wordt in mei gehouden, als één van de kandidaten zondag geen meerderheid krijgt. De kans dat de SPÖ of de ÖVP iemand naar de Hofburg kan sturen om de socialist Heinz Fischer op te volgen is kleiner. Hun kandidaten zijn niet bijster populair. De zesde kandidaat, een oudere zakenman die vooral bekend is van zijn showbizzoptredens en huwelijken met jonge vrouwen, lijkt kansloos.

Deze verkiezingen gaan dus eigenlijk over het leven na de Oostenrijkse Konkordanzdemokratie. Mensen snakken naar dit leven. Maar hoe het eruitziet, weten ze niet. Onder de jarenlange coalities van steeds dezelfde partijen worden benoemingen onderling verdeeld. Het bedrijfsleven, de media, de banken, de machtige museumwereld: alles is door en door verpolitiekt. Bij veel instellingen geldt nog steeds het oude gezegde: ‘Voor elke baan hebben we één rode [een socialist], één zwarte [een conservatief] en één die het werk doet.’

Oostenrijkers hebben al die jaren maar één keer een regering gehad die niet door socialisten en conservatieven werd gerund. In 2000 waren de conservatieven intens op hun coalitiepartner uitgekeken – een gevoel dat al jaren wederzijds is – en vormden ze een regering met de extreem-rechtse FPÖ van Jörg Haider. Voor het eerst kwam in Europa een dergelijke partij in de regering. Geschokte EU-landen stelden zelfs kortstondig politieke sancties in.

Maar na vijf jaar was de FPÖ gedecimeerd en namen de socialisten hun oude plaats weer in. Het herstel kostte de FPÖ jaren. Mocht Alexander Van der Bellen president worden, wat goed mogelijk is, dan moet hij misschien de eerste extreem-rechts kanselier beëdigen. Nog afgezien van de bizarre combinatie van een Groene president en een extreem-rechtse regeringsleider – allebei gekozen – kan dit voor ophef zorgen. Van der Bellen, die van zijn hart nooit een moordkuil maakt, heeft gezegd dat hij FPÖ-leider Heinz-Christian Strache nooit zal beëdigen. Als de Oostenrijkers uit zijn op politieke verrassingen, lijkt de kans dat ze die binnenkort gaan meemaken in ruime mate aanwezig.