Graag één groot, christelijk Europa

De Tsjechische filosoof en pedagoog Comenius heeft vooral naam gemaakt als onderwijsvernieuwer, maar hij was ook een apocalyptische dromer, die in de stijl van Jeroen Bosch het kwaad symboliseerde.

Jan Amos Komensk, bekend als Comenius, op een Tsjechisch bankbiljet van 20 korun uit 1988 Foto ANP

Jan Amos Komensk, beter bekend als Comenius, voelde zich ‘thuis’ in Amsterdam. Geen wonder, want Comenius heeft de laatste veertien jaar van zijn leven in alle rust in de hoofdstad van de Republiek kunnen leven en werken. Hij publiceerde er zijn boeken, zonder vrees voor vervolging of repressie, financieel ondersteund door zijn mecenas Laurens de Geer. Van de wereld waaraan hij was ontsnapt geeft zijn in 1623 voltooide, in 1631 gepubliceerde en nu vertaalde Het labyrint van de wereld en het paradijs van het hart een indirect beeld, want het soms huiveringwekkende verhaal weerspiegelt – versleuteld als allegorie – veel van zijn eigen belevenissen.

Comenius (1592-1670) moest vluchten uit het huidige Tsjechië, nadat Frederik van de Palts in 1620 was verslagen door de Habsburgers. Vanaf dat moment hield de contrareformatie huis in zijn geboorteland en was ook Comenius, die behoorde tot de protestantse Boheems-Moravische Broederbond, zijn leven niet meer zeker. Tijdens zijn omzwervingen verloor hij vrouw en kinderen, evenals zijn bibliotheek. Tegenwoordig berust Comenius’ roem vooral op zijn baanbrekende pedagogische en didactische werk. Hij was een van de eersten die zich realiseerden dat het kind geen kleine volwassene was; onderwijs diende daarom te worden aangepast aan leeftijd en bevattingsvermogen van het kind. Niet toevallig heten zoveel scholen naar Comenius en heeft de EU zijn naam geleend voor een project ter verbetering van het onderwijs in Europa.

Dat laatste is ook nog om een andere reden begrijpelijk, namelijk om zijn verlangen naar Europese eenheid. Eenheid in het Europa van de 17de eeuw was volgens Comenius alleen mogelijk op basis van religieuze tolerantie, al zaten daar wel grenzen aan. Op veel begrip voor het katholicisme, dat hem uit zijn vaderland had verdreven, heb ik hem niet kunnen betrappen. Daar staat tegenover dat hij een voor zijn tijd opmerkelijke coulantie jegens jodendom en islam aan de dag legde. In Het labyrint van de wereld wordt bijvoorbeeld de blijkbaar uitzonderlijke properheid van joden en moslims geprezen.

Onderwijsvernieuwing, Europese eenheid, religieuze tolerantie – het lijkt een en al actualiteit wat de klok slaat. Toch moeten we niet overdrijven, want Comenius’ denkbeelden verliezen veel van hun actualiteit, zodra we letten op het grotere verband waarin ze thuishoren. Dat verband noemde hij pansofia, alwijsheid, een systeem van algemene kennis dat in het teken stond van de apocalyptische droom van een duizendjarig Christenrijk op aarde. Europa moest daarom een christelijke eenheid worden. En de tolerantie zou ooit moeten uitmonden in de bekering van joden en moslims.

De actualiteit van Het labyrint van de wereld zit in de nog altijd aantrekkelijke literaire kwaliteit, de humor en wilde fantasie die erin ten toon worden gespreid. Ik weet alleen niet zeker in hoeverre die kwaliteit te danken is aan de eerste, sprankelende vertaling van Kees Mercks of aan het oorspronkelijke Tsjechisch.

Het meeste plezier valt te beleven aan het – omvangrijkste – eerste deel waarin de verteller, Pelgrim geheten, wordt begeleid door de gidsen Alweter en Zegsman, en is voorzien van de teugel van Nieuwsgierigheid en de bril van Begoocheling. Waar hij ook kijkt, of het nu het huwelijk is, de geleerden, de filosofie, het leger, de geestelijkheid of overheid – overal bespeurt hij, zodra hij zich niet door zijn bril en gidsen laat bedriegen, huichelarij, kwaadaardigheid, leedvermaak, hoogmoed, zelfingenomenheid, afgunst of zinloos gezwoeg. Na alle straten en pleinen te hebben afgelopen en nadat zelfs de koningin van de Wijsheid als ‘Zinloosheid’ is ontmaskerd, krijgt hij het advies terug te keren naar zijn hart en daar het heil te zoeken.

In het verwaarloosde ‘kamertje’ van zijn hart blijkt het heil inderdaad te vinden te zijn, in de vorm van een kitscherig visioen van Gods glorie. Wat een verschil met de even verrassende als concrete beelden waarmee Comenius in het eerste deel het kwaad symboliseert. Op de markt ontmoet Pelgrim mensen met ‘varkenslippen of hondentanden, ossenhoorns, ezelsoren, vossenstaarten, wolvenklauwen, langgerekte pauwenhalzen en paardenhoeven’. Aspirant echtparen worden op een weegschaal geplaatst en mits geschikt bevonden in ‘vreselijke boeien’ geslagen. Bij aankomende geleerden wordt de tong naar buiten getrokken en bijgesneden of men boort een gaatje in hun hoofd, terwijl ontevreden smulpapen zich door artsen laten voeden en ontlasten via ‘trechters van boven en van beneden’. Comenius’ tekst lijkt vol te staan met literaire equivalenten van Jeroen Bosch’ bizarre picturale verzinsels. En er is nog een overeenkomst: ook op Bosch’ panelen spreken de helse taferelen met al die kwelduivels en gedrochten veel meer tot de verbeelding dan hun hemelse tegendelen.