Eindelijk niet meer verdwalen in het museum

Binnentuin, ingang en loopbrug van het Centraal Museum. Foto’s Walter Herfst

Nu pas, na een drie jaar durende verbouwing, is goed te zien hoe mooi het paviljoen eigenlijk is dat de Belgische architect Stéphane Beel in 1999 als ingang van het Centraal Museum in Utrecht bouwde. Bij de verbouwing, die stap voor stap werd uitgevoerd zodat het museum open kon blijven, hebben de architecten van Soda+ de betonnen tussenvloer laten weghalen die op socialewoningbouwhoogte (2,40 meter) boven de hoofden van de bezoekers hing. Hierdoor veranderde het benepen entreegebouw in een ruim bemeten (en ook voor niet-bezoekers toegankelijk) museumcafé, dat door zijn precieze staal-glas-en-betonminimalisme doet denken aan het werk van de Duitse pionier van het modernisme Ludwig Mies van der Rohe.

‘Architectuur is circulatie’, is een uitspraak van Le Corbusier, een andere modernistische pionier. Als dit waar is, dan was het Centraal Museum tot nu toe een slecht gebouw. Beels ingang en eerdere toevoegingen en verbouwingen hebben van het complex oude en nieuwe gebouwen waaruit het Centraal Museum van oudsher bestaat, nooit een overzichtelijk geheel gemaakt. Goed ‘circuleren’ was er onmogelijk. Het bleef altijd een doolhof, onder meer door de onderaardse verbindingen tussen de verschillende bouwdelen, waaronder de middeleeuwse kapel en refter van een agnietenklooster en 19de-eeuwse paardenstallen van de cavalerie.

De ingang is weer waar die hoort

Maar daar is nu, dankzij een knap ontwerp van Soda+, een radicaal einde aan gekomen. Dat begint al met de verplaatsing van de museumingang. Die bevindt zich niet meer in een obscure oksel van het Nicolaaskerkhof, maar waar hij hoort: in de Agnietenstraat, recht tegenover de ingang van het Nijntjemuseum. En achter die ingang ligt nu een prettig hoge hal met bovenlicht, vanwaar de bezoeker drie kanten op kan. Links bevindt zich, in de middeleeuwse kapel, de boekenwinkel en het informatiecentrum. In de andere twee richtingen, vooruit en rechts, kun je beginnen aan tochten door het museum. En die monden niet langer uit in het ongemakkelijke gevoel dat je nog lang niet alles hebt gezien maar niet weet waar je het ontbrekende deel moet zoeken.

Dit komt vooral doordat Soda+ op strategische plekken het gebouwencomplex heeft geopend. Zo is de onderaardse doorgang tussen de voormalige refter en paardenstallen vervangen door een geheel glazen luchtbrug, met zicht op de binnentuin. En de paardenstallen, die tot de verbouwing vrijwel geheel gesloten waren, zijn op verschillende plekken opengebroken. Daardoor is de binnentuin visueel verbonden met het Zocherpark aan de andere kant van het lange bouwdeel. De binnentuin zelf heeft ook een metamorfose ondergaan. Van een rommelig geheel dat gedeeltelijk dienst deed als opslagplaats, is het niet alleen veranderd in het hart van het museum, maar ook in een publiek toegankelijke stadsoase.

Ook de terughoudende vormgeving van Soda+ helpt de bezoeker op zijn tocht. Verreweg het opvallendst zijn de gordijnen die zijn opgehangen in de voormalige refter. Die gordijnen zijn zo intens rood dat ze bij binnenvallend zonlicht een vurige gloed verspreiden. Maar voor de rest zorgen houten vloeren en balustrades, klassiek-moderne, witte museumwanden en nieuwe verlichtingen met ledlampen voor een weldadige neutraliteit, die de bezoeker in alle rust laat ervaren dat de ‘circulatie’ in het Centraal Museum nu eindelijk goed is.