Een nostalgicus tussen de flats

Een man bemint een vrouw, maar trouwt door een misverstand met haar zus. In zijn nieuwe roman vervlecht Nobelprijswinnaar Pamuk een familiegeschiedenis met die van Istanbul.

Tekening Paul van der Steen

De nieuwe roman van Orhan Pamuk, de Turkse Nobelprijswinnaar voor literatuur (2006), begint op een bijbels-sprookjesachtige manier. De jonge straatventer Mevlut Karatas schaakt het meisje dat hij drie jaar lang met minnebrieven heeft bestookt. Maar op hun ontmoetingspunt wacht een onaangename verrassing. Het meisje dat met hem vluchten wil is niet zijn beminde maar haar oudere, veel minder knappe zus. Mevlut had beiden alleen maar ooit van een afstand op een bruiloft gezien en hun namen verward. Al die tijd kwamen zijn brieven aan bij de verkeerde geliefde.

Mevlut is niet de bijbelse Jakob en gaat niet alsnog achter de ware aan. Met zijn nieuwe vrouw vertrekt hij vanuit Anatolië naar Istanbul en leert gaandeweg met haar gelukkig te worden. Overdag vent hij zelfgemaakte yoghurt uit, ’s avonds en ’s nachts de traditionele boza-drank, bereid uit gefermenteerde gierst en zo laag van alcoholgehalte dat generaties moslims er vrolijk van konden worden zonder in eigen (en vooral andermans) ogen de geboden van de islam te overtreden.

Dat vreemde in mijn hoofd vertelt het levensverhaal van Mevlut en diens familie en schoonfamilie: een ingewikkeld labyrint, want er wordt nogal wat onderling getrouwd. Maar in die familiegeschiedenis weerspiegelt zich ook de historie van Turkije van de afgelopen halve eeuw en vooral die van Istanbul. Staatsgrepen vinden plaats, linkse en rechtse extremisten vliegen elkaar in de haren, langzaam komt het islamisme op. Mevlut ziet het allemaal van enige afstand aan.

Kleine krabbelaar

Als kleine krabbelaar die zich in Istanbul net weet te handhaven, wordt hij veel directer geraakt door de veranderingen die zich afspelen. Krottenwijken maken plaats voor woontorens, het oude centrum wordt doorsneden door vierbaanswegen, Koerden stromen de stad in, christenen zie je steeds minder. Drugs, bouwfraude, bendevorming: de stad verhardt onmiskenbaar en Mevlut voelt zich er steeds minder thuis. Daarmee lijkt iets van Pamuk zelf in hem te zijn geslopen. De nostalgie waarvan de schrijver getuigde in Istanbul: herinneringen en de stad krijgt ook in Dat vreemde in mijn hoofd ruim baan. De boza die Mevlut uitvent is daarvan het symbool. Steeds minder mensen drinken het, en áls ze het doen geven ze de voorkeur aan een fabrieksproduct in hygiënische flessen. Met al die torenflats gaat het met de verkoop ook steeds minder.

Pamuk heeft als romancier altijd een kroniekschrijver van de Turkse geschiedenis willen zijn. Of misschien beter: een vorser naar de wortels van de Turkse moderniteit, of die nu een half millennium geleden ( in Ik heet karmozijn) of in de recentste decennia moeten worden gezocht. Dat vreemde in mijn hoofd is in dat opzicht misschien wel zijn meest ambitieuze roman tot nu toe. Aan het boek is een chronologisch overzicht van echte gebeurtenissen uit de laatste halve eeuw én van fictieve gebeurtenissen uit het door hem geweven verhaal opgenomen, maar ook een uitgebreid namenregister zoals in studie- en geschiedenisboeken.

Helemaal nieuw is dat niet. Ook in Het museum van de onschuld (2009) was dat al zo – en ook dát boek liet zich lezen als een verkapte studie naar de recente Turkse geschiedenis. Belichtte Pamuk deze toen vanuit de hogere, verwesterde klasse, in Dat vreemde in mijn hoofd doet hij dat vanuit de onderkant: de traditioneel ingestelde plattelandsbevolking die de afgelopen halve eeuw massaal Istanbul binnenstroomde. Beide boeken (van ná de Nobelprijs) laten zich lezen als een tweeluik.

Literair is dat Pamuks werk niet ten goede gekomen. In Het zwarte boek betoonde hij zich een ware meester in literaire vertelvormen die zo ‘postmodern’ niet konden zijn of ze bleven de lezer wel vasthouden. Zijn hoogtepunt (in alle opzichten) bereikte Pamuk in Ik heet karmozijn, zijn definitieve doorbraak. In Sneeuw vloog die constructiewoede een beetje uit de bocht en sindsdien lijkt Pamuk zijn heil te zoeken bij traditionelere vertelvormen. Met de familiegeschiedenis die Dat vreemde in mijn hoofd is, lijkt hij weer terug bij de familieroman De heer Cevdet en zonen (1982), waarmee hij debuteerde en die hij lang verloochend heeft.

Toegegeven: ook in Dat vreemde in mijn hoofd speelt Pamuk nog met een veelheid aan vertellende stemmen die elkaar aanvullen en soms tegenspreken. Hij begint zijn roman in het midden van het verhaal. En heel even knipoogt hij naar Het zwarte boek, wanneer hij de stadschroniqueur Celâl Salik, die daarin een belangrijke rol speelt, een paar keer terloops laat opdagen. Maar dat zijn inmiddels standaard kunstgrepen in de literatuur. Van vormvernieuwer is Pamuk een echte verteller geworden. Dat vreemde in mijn hoofd laat zich lezen als een soort Pamuk-light. En dat pakt niet altijd goed uit in deze te dikke roman. Zó interessant is Mevlut tenslotte niet; zelfs zijn liefdesgeschiedenis met de twee zusters krijgt uiteindelijk een nogal banale ontknoping. Mevluts wederwaardigheden vormen een lange aaneenschakeling van dezelfde mislukkingen. Met de originaliteit van zijn observaties heb je het halverwege wel gehad. Alleen Istanbul blijft een onuitputtelijke bron van fascinatie.