Altijd dat onblusbare gevoel van verlorenheid

In 2003, dus vóór haar dubbele Booker Prize voor Wolf Hall (2009) en Bring Up the Bodies (2012), schreef Hilary Mantel (1950) haar memoires al. Beetje vroeg, zou je denken. Ze was een goed bewaard geheim met heftige om niet te zeggen brute romans in die krankzinnig elegante stijl van haar.

En toen kwam ze dus, in 2003, met herinneringen. Niet van een veelbewogen leven, maar aan haar jeugd, die ze overwonnen heeft als ze een jaar of dertig is: Giving up the Ghost. Dat is nu vertaald onder de titel De geest geven – wat ‘sterven’ betekent. Terwijl Mantel met dit boek het omgekeerde deed: ze deed afstand van de geesten uit haar leven, ze gaf de spoken hun congé. Ze maakte, kortom, de beklemming van haar jeugd onklaar. Niet klagerig maar praktisch-poëtisch. Hardvochtig en verrassend, zoals ze al haar onderwerpen aanpakt. En met haar instinct voor de juiste details, zoals het knisperen van je jurkje als je vier bent, en de gêne over de nieuwe vader over wie alle buren roddelen, terwijl jij moet doen of het je echte vader is.

Om te beginnen beschrijft De geest geven hoe het was om te leven in kleinsteeds Engeland van de jaren vijftig, met zijn surrealistische ongeschreven regels en conventies. De fantasie was de natuurlijke ontsnappingsroute voor een voorlijk kind als Mantel (och, de energie die het kost om voorlijk te zijn…), dat houdt van een moeder die terugschrikt van zulke onmetelijke liefde. Ze ziet het huwelijk van haar ouders aan scherven gaan, en zal haar eerste vader nooit meer terug zien.

In De geest geven benadert Mantel haar eigen leven als materiaal voor een historische roman. ‘Wat is de waarheid, waar vind je die?’ schrijft ze – dat is het uitgangspunt, altijd. Hoe pakt ze historische fictie aan? Als kind wist ze dat dus al: ‘Als je informatie wilde moest je gesprekken afluisteren of toevallig iets opvangen.’ Ze ordent haar herinneringen alsof het historische documenten zijn. Ze denkt erop door, ze vult aan, ze doet research en interpreteert. Zo komt ze tot een samenhangend verhaal dat de kern van haar leven onthult: ‘Ik weet dat God niet over de brug zal komen.’ Ze zal het zelf op moeten knappen. En ze zal de rest van haar leven besteden aan fictieve personages die kampen met een onblusbaar gevoel van verlorenheid.

Via de zolderopruiming die dit boek is, bouwde ze de springplank voor het grandioze oeuvre dat erop volgde. De geest geven bevat alle motieven en elementen uit Mantels werk. Maar ook voor wie haar oeuvre niet kent vertelt het onweerstaanbaar over een bijzonder meisje. Ze heeft de schijn tegen. Eens zal ze inzien dat niet zíj vreemd is, maar haar zogenaamd normale omgeving.