Alle vooruitgang is in wezen darwinistisch

Alles ontwikkelt zich op deze planeet spontaan, in kleine stapjes, door inspanningen van zeer velen, aldus de Britse bioloog Matt Ridley, die tien jaar werkte aan een boek over zijn ‘Algemene Evolutietheorie’.

De Amerikaanse filosoof Daniel Dennett noemde het ooit Darwin’s Dangerous Idea: aan het ontstaan en de ontwikkeling van al het leven op aarde ligt geen ontwerp ten grondslag – en dus ook geen (intelligente) ontwerper. Spontane veranderingen in het erfelijk materiaal van organismen leiden tot verschillen in eigenschappen die aan een proces van natuurlijke selectie worden onderworpen: zij die het best aan de omstandigheden zijn aangepast, overleven.

In zijn nieuwe boek The Evolution of Everything noemt de Britse bioloog Matt Ridley (1958) dit de ‘Speciale Evolutietheorie’. Hij gaat een stap verder en wil ‘voor elk aspect van de menselijke wereld doen wat Darwin deed voor biologie.’ Met zijn ‘Algemene Evolutietheorie’ wil hij laten zien dat dezelfde principes ten grondslag liggen aan zo ongeveer iedere menselijke activiteit of uitingsvorm: technologie, taal, cultuur, geschiedenis, moraliteit, economie. Allemaal ontwikkelen ze zich spontaan, in kleine stapjes, door de inspanningen van zeer velen, via trial and error. Alleen de vernieuwingen die werken, die ‘overlevingswaarde’ hebben, blijven bestaan. En eerst en vooral: vooruitgang is niet onderhevig aan of gebaat bij enige sturing of planning van bovenaf.

Met zijn enthousiasme en op basis van een brede algemene kennis en belezenheid – hij werkte zo’n tien jaar aan dit boek – komt hij een eind, zeker als hij de terreinen behandelt waarop hij thuis is en waarover ook nauwelijks discussie bestaat: de evolutie van het leven, van de menselijke geest of het genoom. Hier is hij op zijn best als hij alvast bruggetjes slaat naar wat later komt.

Mooi is bijvoorbeeld de analogie tussen de evolutie van de eukaryotische cel, die door het in zich opnemen van bacteria de beschikking kreeg over een soort van energiefabriekjes, de mitochondriën, en de industriële revolutie waar de uitvinding van de stoommachine de energie die opgeslagen ligt in steenkool vrijmaakte voor nuttig gebruik.

Tussenstadia

Maar ook andere technologische ontwikkelingen gehoorzamen aan Ridley’s schema. Terwijl Darwin al worstelde met de vraag hoe je volgens een evolutionair proces een oog kunt maken, is inmiddels overtuigend aangetoond dat daarvoor stapje voor stapje alle tussenstadia moeten worden doorlopen, van een enkele lichtgevoelige cel naar ons menselijk oog met alle finesses van een lens, een netvlies en een iris. Geheel analoog zou het onmogelijk zijn geweest om in 1980 in één keer een iPad te maken. Alle tussenstadia daarnaartoe waren cruciaal en elk daarvan leverde een nuttig apparaat op.

Alleen wanneer en waar de omstandigheden juist zijn, ontwikkelen technologieën zich in hun eigen ritme: innovatie is een emergent verschijnsel. Dat fundamenteel onderzoek op innovatie drijft is volgens Ridley dan ook een misvatting. Het is precies andersom. En ook allerlei onderzoeksubsidies helpen maar tot op zekere hoogte, het resultaat ervan is sowieso onvoorspelbaar.

Ook de stap naar de wereldeconomie als een evolutionair systeem is nog logisch. Anderen gingen Ridley daarin voor. Zo schreef de bekende evolutiebioloog Stephen J. Gould ooit dat natuurlijke selectie gezien moet worden ‘als verregaand analoog aan de laissez-faire economie van Adam Smith.’ Maar Ridley gaat een stap verder. Hij betoogt dat ook de ontwikkeling van een vrije handel en een kapitalistische economie – Adam Smith’s onzichtbare hand – bijdragen aan een geweldloze maatschappij.

Wederom baseert hij zich hierbij op Smith die in zijn Theory of Moral Sentiments betoogde dat ieder mens zijn eigen morele codes ontwikkelt via de reacties die hij ondervindt op zijn gedrag van de mensen om hem heen. Die morele regels en codes lijken weliswaar al eeuwenlang vast te liggen in boeken als de Bijbel, ‘van bovenaf opgelegd’, maar feitelijk zijn het praktische regels die bovendien aan voortdurende verandering onderhevig zijn. Zo wijst Ridley op de verschuiving (in omgekeerde richting) in de maatschappelijke acceptatie van homoseksualiteit of pedofilie.

Politieke agenda

Tot iets over de helft is Ridley zo prettig op dreef. Maar dan raakt hij het spoor bijster als bijvoorbeeld in hoofdstukken over de evolutie van het onderwijs en de gezondheidszorg zijn politieke agenda met hem op de loop gaat. Hij heeft een geweldige afkeer van overheidsinmenging (‘Intelligent Design’) en gaat zelfs zo ver om allerlei nationale problemen toe te schrijven aan ‘linkse’ krachten, die de belastingen omhoog stuwen en al te royale sociale voorzieningen creëren. Hier heeft hij flink wat boter op zijn hoofd, want in 2007 was hij voorzitter van de Engelse bank Northern Rock die met overheidsgeld overeind gehouden en genationaliseerd moest worden. Hij noemt de bank niet bij naam, maar schrijft de val van de bank toe aan ‘bemoeizuchtige regulering’ en ‘interferentie van bovenaf.’

Ridley is wars van welke staatsinmenging dan ook en vindt het bijvoorbeeld ook verkeerd dat de staat het monopolie heeft op het toepassen van geweld: in het Wilde Westen was er ook weinig formeel bestuur en wetshandhaving, maar lag het aantal moorden per hoofd van de bevolking lager dan nu. Met dit soort libertaire denkbeelden zou hij het in de Tea Party nog ver kunnen schoppen.

Daarmee doet hij nogal wat af aan wat een prachtig boek had kunnen zijn. In zijn vorige boek The Rational Optimist ging hij in tegen de doemdenkers die de aarde ten onder zien gaan aan klimaatverandering, voedsel- en waterschaarste en pandemieën. Nu laat hij zien dat de oplossing voor die problemen niet van bovenaf zal komen, niet te plannen valt, maar onherroepelijk voortkomt uit het evolutionaire samenspel van miljoenen weldenkende mensen. En daar is veel voor te zeggen.