Zwierende Welser-Möst zoekt uitersten

Wegens een schouderblessure – een dirigent is ook maar een mens – ging het debuut van Franz Welser-Möst bij het Koninklijk Concertgebouworkest twee maanden geleden niet door. Deze week is hij er alsnog, zwierend als een ritmisch gymnast, met een Oostenrijks programma dat orkest en dirigent op het lijf is geschreven.

Behalve Welser-Möst was er gisteren nog een debutant. Laurens Woudenberg, aanvoerder van de hoornsectie, soleerde voor het eerst bij zijn eigen orkest. Mozart schreef het korte Tweede hoornconcert, KV 417 voor zijn vriend Leutgeb, die hij in de partituur onder meer voor ezel en nar uitmaakte, maar voor wie hij ook verrukkelijke melodieën componeerde. Met zijn mooi omfloerste toon en heerlijk relaxte timing deed Woudenberg die volledig recht, zowel in het cantabile van het Andante als in het opgewonden Rondo.

Begeleidde Welser-Möst voor de pauze nog beschaafd en aandachtig, erna konden de remmen los in Bruckners fors bezette Zevende. Twee jaar geleden maakte Welser-Möst hier indruk met zijn eigen Cleveland Orchestra, en ook nu bespeelde hij de akoestiek van de Grote Zaal tot in de uitersten, zonder dat Bruckners nadrukkelijke monumentaliteit het gehoor beschadigde.

Welser-Möst (net als Bruckner afkomstig uit Linz) vroeg om opulent vibrato, onderstreepte hoekige contrasten en vermeed zwelgen en slepen – zo vertraagde hij in de galopperende climax halverwege het eerste deel minder dan veel collega’s. Soms boetseerde Welser-Möst de zangerige thema’s minutieus, vaker gaf hij de musici ruimte. Een uitbundig debuut met daverend slot.