Vaders om wel/niet van te houden

In twee tweedegeneratieromans is een vader de spil van het verhaal. Een wrede vechtersbaas versus een kleine collaborateur. Birney schreef een ‘jongensboek’, Van der Veken een kleine, subtiele familieroman.

Als er ooit een verfilming komt van De tolk van Java, de nieuwe roman van Alfred Birney (1951), dan denk ik niet dat ik daar naartoe zal gaan. Het zal vast een kleurrijk en sfeervol geheel worden, met mooie landschappen, wilde dieren, ongerepte natuur, lange trage boottochten en heel veel rondkrioelende mensen in steden, dorpen en op allerlei marktplaatsen, maar er zal ook akelig veel bloed vloeien. Ik zie de met zwaard of dolk of kapmes afgehakte hoofden en ledematen van tientallen mensen zo voor me, na veel ijselijk gegil en gekerm.

Een wat subtielere regisseur zal misschien wat meer inzoomen op huiselijke schermutselingen, met veel gekissebis tussen ouders en kinderen en broers en zussen, maar ook daar zullen regelmatig rake klappen en zweepslagen vallen. Af en toe zal er ook een rustgevend shot zijn van een peinzende Indische jongeman met een gitaar die speelt en zingt en graag in zijn eentje naar buiten zit te kijken. Dat is dan Alan Noland, het alter ego van Alfred Birney, de hoofdpersoon van of althans het brein achter De tolk van Java.

De stem van Alan is maar een van de stemmen die opklinken in dit omvangrijke en avontuurlijke jongensboek dat zich deels in Indië en deels in Nederland afspeelt. Alan kijkt terug op zijn roerige, Haagse jeugd, getekend door een oorlog, die nooit helemaal voorbij zou gaan. Op het nachtkastje van zijn vader lagen altijd oorlogsboeken en onder zijn hoofdkussen verstopte hij een dolk, want je moest, vond hij, op alles voorbereid zijn. En ’s avonds zat hij onafgebroken te rammelen op zijn Remington. Daar werd, begrijpen we, in de jaren zestig al de basis gelegd voor deze roman. ‘Die oorlog van jullie heeft dertien jaar in ons huis gehangen!’, verzucht Alan. ‘Totdat de kinderbescherming ons bij jullie weghaalde.’ Dit klinkt misschien als een klaagzang, maar dat is De tolk van Java allerminst. De zoon doet hier zijn nogal droge zegje over zijn jonge jaren, deels in internaten doorgebracht, maar hij laat ook zijn Brabantse moeder, zijn tweelingbroer en vooral zijn Javaanse vader uitgebreid aan het woord.

Druistig verslag

In een druistig en behoorlijk gedetailleerd verslag praat deze Arto ons bij over zijn kinderjaren in Soerabaja. Hij werd met harde hand opgevoed, zoals hij dat later ook bij zijn eigen kinderen zou doen. Als jongste en donkerste kind van een Chinese moeder en een blanke vader werd hij regelmatig geslagen door zijn ouders, broers en zussen, met rotanstok, boomtak of zweep.

Geen wonder dat hij zich later, zowel tijdens als na de Japanse bezetting, zelf ook niet onbetuigd zou laten. Als tolk-marinier in Nederlandse dienst bracht hij, ook wel eens zonder strikte dienstorders, vele Japanners, Indonesiërs, ‘pelopors’ en ‘permoeda’s’ om zeep met bajonet, geweer, granaat, dolk of zwaard. Waarom hij zich als Indische jongen, als enige in de familie, schaarde achter de kolonialistische ‘belanda’s’ is hemzelf ook niet altijd even duidelijk. Regelmatig voelt hij zich verscheurd tussen Indië en Europa, maar uiteindelijk volhardt hij in het ooit gekozen standpunt dat hem in 1949 met de boot naar het kille Den Haag zal voeren.

Birney slaagt er in, en dat is denk ik wel zijn grootste prestatie, om voor deze vechtersbaas, die voor zijn kinderen eerder een ‘kampcommandant’ was dan een vader, toch nog enige sympathie te kweken. De vader deed op zijn manier zijn best, zo zou je het kunnen samenvatten, voor wat hij dacht dat de goede zaak was. Maar het belangrijkst is nog wel dat hij zijn avonturen erg levendig en zelfs geestig weet te presenteren, in een ademloze woordenstroom, die van veel taalgevoel getuigt. Hij was ook niet zomaar een tolk, hij sprak maar liefst veertien talen.

Heel anders is het gesteld met de door de oorlog getraumatiseerde vader die Ingrid van der Veken portretteert in Zwijgen, haar vijfde, autobiografische roman. Zoals de titel al suggereert hebben we hier niet met een tolk te maken, maar met een weinig spraakzame en van elke talenknobbel verstoken boekhouder. Hij zwijgt ‘oorverdovend’ over wat zich tussen 1942 en 1944 in Antwerpen heeft afgespeeld.

Zijn dochter, geboren in 1948, nog altijd ontzet door wat de joden en andere nazislachtoffers is aangedaan, probeert hem vergeefs bekentenissen te ontlokken. Hij blijkt vrijwillig ‘arbeidsdienst’ te hebben verricht onder nationaal-socialistische vlag. Na de bevrijding werd hij voor straf enige tijd opgesloten, samen met andere ‘bruine mannen’, in de dierentuin van Antwerpen, en te kijk gezet voor spottende burgers. De schaamte hierover is zo groot, dat hij er geen woord over wenst los te laten, ook al droeg hij tijdens de arbeidsdienst nooit een geweer en krenkte hij niemand ook maar een haar. Hij wordt dan ook, achteraf, door oorlogsdeskundigen, beschouwd als een ‘kleine garnaal’, met een rol aan ‘de onderkant van de collaboratie’.

Oorlogsarchieven

Deze kleine Antwerpse familieroman moet het niet hebben van grof geschut en mortiervuur, zoals Birney, maar van psychologische observaties, subtiel ontrafelde familiegeheimen en van het zorgvuldig doorspitten van oorlogsarchieven. Dat levert geen wereldschokkende feiten op en door de betrekkelijke bleekheid van de hoofdpersonen ook geen enorm spannende intrige, maar wel een mooi afgeronde familie-episode over een boekhouder en een schoenenverkoopster, in de kantlijn van de grote geschiedenis.

Als ik moet kiezen tussen deze twee tweedegeneratieromans, dan gaat mijn voorkeur uit naar het grote jongensboek van Birney, over de adembenemende strapatsen van ‘papa Soerabaja’. Hij wist flink uit te delen, maar gaf zijn vijf kinderen toch ook iets terug: het kleurrijke levensverhaal van een strijdvaardige Javaan, mooi ingebed in een groter geheel door zijn muzikale zoon.