Column

(On)beschermd dier

Regelmatig krijg ik zo’n bedelbrief van de Dierenbescherming die ik het liefst ongelezen in de prullenmand zou gooien. Helaas lukt me dat nooit omdat ik me moreel verplicht voel op z’n minst de eerste alinea te lezen. En dan ben je bij de Dierenbescherming meteen het haasje.

„Geachte heer”, schrijft zo’n bekwame Dierenbeschermer, „het is ongelooflijk hoeveel veerkracht een dier kan hebben. Zoals Boef, een jonge Mechelse herder. We troffen hem aan in erbarmelijke toestand. Hij lag vastgebonden en was schokkend mager. Hij lag erbij alsof hij zich had neergelegd bij zijn noodlot. Tot we hem benaderden….”

Erboven stond een foto van de uitgemergelde Boef. Onderschrift: „Boef kon amper op zijn poten staan. Maar hij gaf niet op. En wij ook niet.” Je voelt die laatste zin als een dolk tussen je ribben: jij wel, lul die je bent, laat jij zulke dieren barsten?

Op de achterkant kon ik meer over Boef lezen – en natuurlijk deed ik dat gedwee. De Dierenbeschermer had Boef in een Tilburgse woning aangetroffen, vastgebonden aan een radiator zonder voer of water. De eigenaresse kon de zorg niet meer aan en was bereid afstand van de hond te doen. De dierenarts had nog nooit zo’n magere hond gezien.

Boef heeft nu een nieuw baasje en is weer op het goede gewicht (22 kilo tegen 10,5 kilo eerder), zo blijkt uit de foto’s.

Laatste zin: „Mogen de andere dieren in nood ook op u rekenen? Dank u wel!”

Zeg dan maar eens nee.

Ik maakte het voor mezelf nog erger door naar de boekenkast te stappen en weer eens dat indrukwekkende verhaal Coco van Guy de Maupassant erbij te pakken. Ik heb het in een vertaling van Adriaan Morriën uit 1947. Maupassant was een geweldige verhalenschrijver, hij heeft niet de reputatie van Tsjechov verworven, maar hij was zeker niet minder.

Coco is een verhaal van vierenhalve pagina waaraan ik altijd weer moet denken als ik een of ander bericht over dierenmishandeling lees – vooral die van paarden, zoals de laatste tijd veel voorkomt. Coco was een zeer oud, wit paard dat niet meer kon werken en alleen nog uit medelijden door de boer gehouden werd. Een 15-jarige boerenjongen, Zidore, kreeg de opdracht voor hem te zorgen, maar had daar weinig zin in. Hij moest hem vier keer per dag van plaats verwisselen op een heuvel, zodat hij voldoende vers gras kreeg.

De mensen van de boerderij en zijn vriendjes pestten Zidore met het paard, ze noemden hem Coco-Zidore. Maupassant laat goed zien wat dat pesten met iemand doet. „In zijn verwarde kinderziel groeide een haat, de haat van hebzuchtige boer, van geniepige, wrede, dierlijke, laffe boer.”

Zidore begint zich op Coco te wreken. Hij slaat hem, gooit stenen naar hem en verplaatst hem te weinig. „Het werd door honger verteerd, een honger, die nog vreselijker werd door het zien van al het groene voedsel, dat zich tot aan de horizon uitstrekte.”

Coco sterft, Zidore vertelt het de boer die er niet van opkijkt en zijn knechten opdraagt het dier te begraven. Laatste zinnen: „En de mannen begroeven het dier precies op de plaats, waar het van honger gestorven was. En het gras begon er nu dicht opeen te groeien, prachtig groen en sterk, gevoed als het werd door het armzalige paardenlichaam.”

Coco stierf door de onverschilligheid van de wereld.