Kunst met dat ene oerdierlijke kenmerk

Trussst in me... Frans de Waal. Jungle Book. Paulien Cornelisse. Theo Jansen. Zoro Feigl.

Frans de Waal en Tijs Goldschmidt, beiden bioloog, beiden schrijver, voeren een podiumgesprek in de mollige schemer van het planetarium van de Amsterdamse dierentuin Artis. Daar kan het licht niet aan en wij kunnen de mannen niet goed zien. Waren we maar kleine nachtdieren.

Precies daarover gaat Frans de Waals nieuwe boek dat vanmiddag ten doop wordt gehouden. Over dieren met psychofysieke mogelijkheden waar wij mensen een puntje aan kunnen zuigen. Goldschmidt las het boek en „kreeg het gevoel dat ik het zelfs als laboratoriumrat niet gered zou hebben”.

De Waals boek gaat tussen de regels ook over mensen, te beginnen met de titel: Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn. Nee dus. En dat komt, zegt De Waal, doordat de mens uniek in zijn soort wil zijn. En dat wil de mens graag zo houden, maar dat kan de mens vergeten.

„Hebben dieren ook esthetische ervaringen?”, vraag ik. De Waal begint over de schilderende chimpansees. Maar Goldschmidt begrijpt wat ik bedoel. Hij vertelt over een mensaap die leek te genieten van een spectaculaire zonsondergang.

Gesterkt door De Waal en Goldschmidt geniet ik dubbel van de nieuwe Jungle Book, over vondeling Mowgli en zijn vrienden en vijanden in de Indiase jungle. Dit keer met (computeranimaties van) echte dieren. En die dieren voegen een dimensie toe die de tekenfilm wegpoetste, namelijk hoe doodeng en gevaarlijk aaibaar kan zijn. Deze dieren praten trouwens en dat kan alleen de mens (zelfs De Waal zegt dat). Geeft niet. De reuzenpython verleidt met de stem van actrice Scarlett Johansson: „Trussst in me…” sist ze. Zij geeft het verhaal bijbelse proporties en ik snap nu waarom die slang in het Paradijs alles voor elkaar kreeg.

Dieren en mensen kunnen verbazend geloofwaardig in elkaar overvloeien. In De verwarde cavia, roman van Paulien Cornelisse, is de hoofdpersoon een cavia en ze is óók een verlegen jonge vrouw. En die twee identiteiten zitten elkaar niet in de weg. Een voormoeder van Cavia is het Schaap Veronica van Annie M.G. Schmidt. Veronica is zowel een jongejuffrouw als een geloofwaardig schaap. Het sterke punt van Cavia en Veronica is dat ene oerdierlijke kenmerk: ze kennen het Kwaad niet. Ze krijgen er wel mee te maken en ze bijten van zich af, maar van zichzelf zijn ze pertinent lief. Via de onschuld smeed je het dier tot mens en omgekeerd.

Ga naar het Vlaamse Kemzeke (zo ver is dat niet) en bekijk bij de Verbeke Foundation de strandbeesten van Theo Jansen. De gigantische levende geraamtes zijn opgetrokken uit stukjes pvc-buis en wandelen (echt!) op vele voetjes. Ze bestaan niet maar sinds Jansen ze schiep bestaan ze dus wel. Zie daar ook de kunst van Zoro Feigl. Noeste poëtische machines. Zijn nieuwste werk is een afgedankte robotarm (Feigl: „Ze wilden hem verschroten, ik zei geef maar hier”). Het monster tolt en knikt, het kermt dankzij een slepende metaalstrip. Hij is een machine in doodsnood, een aandoenlijk diertje van staal.

Machines zijn dierlijk. Dieren zijn menselijk. Mensen zijn dieren zijn machines. De hele wereld kantelt als je de kunsten volgt. En dat voelt goed.