‘De eenzaamheid na een concert, ik ken dat gevoel’

(67) treedt weer op met Doe Maar en speelt in het Concertgebouw. Zijn leven en het artiestenbestaan aan de hand van tien nummers.

In de opmaat naar drie megaconcerten in de Ziggo Dome die Ernst Jansz in juni zal geven met het heropgerichte Doe Maar, brengt zijn eigen theatertournee hem binnenkort naar het Amsterdamse Concertgebouw. Met gitarist Guus Paat, violiste Aili Deiwiks en bassist Richard Wallenburg zal Jansz daar putten uit het materiaal van zijn vier soloplaten en, waar dat past in de sfeer en de thematiek, ook nummers van Doe Maar spelen.

Thuis in zijn boerderij in De Peel, dezelfde waar hij in 1969 neerstreek met de band CCC Inc. om er een hippiecommune te stichten, bespreekt Ernst Jansz (67) de liedjes die zijn muzikantenleven vormgaven. De zanger, pianist en gitarist die naast de muziek vier autobiografische boeken schreef, vertelt aan de hand van tien songs over zijn artiestenbestaan.

‘Nighttrain’ – CCC Inc. (1973)

„Met CCC Inc. vormden we een keurig nette commune, waar iedereen zijn eigen vriendin had en zijn eigen kamer. In die van mij stond een witte piano. Dit lied schreef ik in de nachttrein. De tekst beschrijft precies wat er om me heen gebeurde. Ik was in die tijd erg onder de indruk van Janis Joplin. In 1969 had ik haar zien optreden in het Concertgebouw en alles wat ze zong klonk oprecht en persoonlijk. Ze overtuigde me ervan dat mijn songteksten over míj moesten gaan.

„Ik was ongelofelijk somber. Mijn vader was overleden toen ik zeventien was. Contact maken met andere mensen viel me zwaar. Als ik met een meisje naar de film ging, kon ik mijn arm niet om haar schouder leggen. In Nighttrain kun je horen dat ik me zorgen maakte om het feit dat ik me altijd zo afzonderde. Is this train running to my destiny?”

‘De Beatles’ – Slumberlandband (1975)

„Een tekst over de provo’s die op zondag hun auto stonden te wassen. De idealen van de provo’s en de hippies werden verkwanseld. Ik wilde werken aan een betere wereld. Er was een wereldwijde beweging waar mijn generatie zich bij thuis voelde: make love not war. Terugkijkend denk ik dat er nog heel wat van die idealen terecht is gekomen. De hippies kwamen met positieve gedachten. Greenpeace en Amnesty komen voort uit die beweging.”

‘Regen’ – Doe Maar (1979)

„Op die eerste plaat van Doe Maar probeerden we van alles uit. Rock-’n-roll, punk, ska en calypso. Mijn liefde voor reggae had ik meegenomen uit de band Rumbones. Bij de Slumberlandband was ik steeldrum gaan spelen. Dat had melodie en ritme in één. Toen we met Doe Maar op tournee gingen naar de Antillen, nam ik mijn steeldrum mee. Antillianen begonnen te lachen toen ze me dat ding zagen uitpakken. Ze konden het niet geloven. Totdat ik er een van mijn razendsnelle riedeltjes op speelde. Toen wilden ze me meteen op de schouders tillen.”

‘Tijd Genoeg’ – Doe Maar (1981)

„Sinds onze CCC-dagen hield Huib Schreurs er de stelling op na dat een goed lied kleine dingen groot maakt, of grote dingen klein. Je snijdt een wereldprobleem aan door het te verkleinen tot een kwestie tussen jou en je geliefde, of omgekeerd. Bij Tijd genoeg is dat goed gelukt. Het blijft overeind als ik het solo met gitaar speel. De meeste Doe Maar-nummers kun je alleen met zijn vieren spelen, omdat je al die instrumenten nodig hebt voor een lekker skaritme.

„Bij het album Doris Day en Andere Stukken brak de gekte rond Doe Maar los. Het succes wakkerde mijn verantwoordelijkheidsgevoel aan. Ik wist dat de teksten door iedereen meegezongen zouden gaan worden. Toen Kinderen Voor Kinderen het liedje Brief aan Ernst maakten als reactie op De Bom, zette dat mij aan het denken. Ik besefte toen dat kinderen bang werden van een lied over atoomdreiging. Hoe luchtig ik het ook bracht.”

‘De Overkant’ (1999)

De Overkant kwam voort uit mijn reis naar Indonesië, het land waar mijn vader geboren is. Ik ontdekte dat ik me daar helemaal niet thuis voelde, in dat bloedhete land waar je privacy niet gerespecteerd wordt. Er waren dingen waar mijn hart van open sprong. De communicatie, bijvoorbeeld. Als Indonesische mensen een beetje giechelen is dat hun manier om contact te zoeken. Ik herkende dat uit mijn jeugd, toen ik een Indisch vriendje had met wie ik dat ook deed.

„Voor mijn eerste soloplaat verlangde ik naar de subtiliteit van de krontjongmuziek die ik kende van thuis. Mijn vader en moeder begeleidden zichzelf op gitaar en ukelele bij Indische liedjes als Nina Bobo en Terang Bulan. Ik heb het altijd een gemis gevonden dat Nederland geen eigen poptraditie heeft, behalve het levenslied waar ik niet zoveel mee heb. Krontjong behoorde tot mijn eigen traditie en daarom kon ik er rijkelijk uit putten.”

‘Ruma Saja’ – Doe Maar (1980)

„Ruma saja betekent mijn huis. Waar voel ik me thuis? Die vraag is nu weer heel actueel. Bij Symphonica in Rosso heb ik dit nummer aangegrepen om iets te zeggen over alle mensen die ontheemd zijn, en hoe de gedachte achter dit lied ook geldt voor de vluchtelingencrisis van nu.”

‘Molenbeekstraat’ (2006)

„Toen mijn moeder werd opgenomen in een verzorgingstehuis moest ik afscheid nemen van het huis in Amsterdam waar ik ben opgegroeid. Ik herinnerde me levendig het rek met wasgoed voor de kachel. De stofzuiger met glijders waar ik als kind op paardje reed terwijl mijn moeder me voorttrok. Later werd ik gelukkig als ik een stofzuiger hoorde – het herinnerde me aan dierbare momenten met mijn moeder. Zoals het Concertgebouw me herinnert aan de keren dat ik er met mijn vader naartoe ging. We hadden het goedkoopste abonnement. Achter de pilaar zaten we naar Stefan Askenase of Vladimir Ashkenazy te luisteren. Het was mijn droom om concertpianist te worden. Dat is me nooit gelukt. Nu speel ik mijn eigen muziek in het Concertgebouw. Een deel van mijn jongensdroom komt uit.”

‘Huiswaarts’ (2006)

„Mijn eerste Dylanvertaling. In het Engels speelden we Tomorrow Is A Long Time al met CCC. Dylan heeft er later zelf van gezegd dat het te romantisch is. Ik ben een romanticus, dus it fits me like a glove. In veel van zijn nummers zit een hartverscheurende eenzaamheid. Ik ken dat gevoel. Je hebt een concert gedaan en gillende meisjes liggen aan je voeten. Het gonst nog na als je de deur van je hotelkamer dicht trekt, alleen. De eenzaamheid slaat toe. Een overrompelend gevoel.”

‘Liefde min nul’ (2010)

„Met Love minus zero/No limit bedoelde Dylan: mijn liefde gaat over alle grenzen heen. Het is zo groot als het maar kan zijn. Een nummer van mezelf zingen geeft me een krachtig gevoel. Als ik Dylan zing komt daar zijn kracht bij. De beelden die hij met zijn muziek oproept zijn van hem. Ik stop er al mijn emotie in.”

‘Silhouet’ – Doe Maar (2000)

„Geschreven met Jan Hendriks. Zo simpel maar zo ontzettend mooi. De albumtitel Klaar kwam van Henny (Vrienten). Na de Ahoyshows van 2000 vond hij dat het klaar was. Organisatorisch was het geen succes. We deden alles zelf. Na een hiaat van vijftien jaar moesten we die hele infrastructuur van een bandje opnieuw uit de grond stampen. Iedereen wilde dingen van ons. Opeens hadden we bodyguards nodig. Als je een muzikant ongelukkig wilt maken, moet je hem een bodyguard geven. We dachten dat we nooit meer bij elkaar zouden komen.

„Toch ging het weer kriebelen. Muziek maken is altijd geweldig met deze jongens. De organisatie hebben we uit handen gegeven en we spelen weer gewoon met z’n vieren. Fantastisch dat de mensen ons nog leuk vinden. In 2000 waren we vijftig en dachten we dat het op het randje was. Maar het publiek komt nog steeds. Dat is ons grootste cadeau.”