‘Wij hadden geen fuck room’

Thomas Vinterberg over het opgroeien in een commune en wat daarop volgde.

Stemming in de groepsvergadering van de commune in Kollektivet, Thomas Vinterbergsterugblik op de jaren zeventig - en op zijn eigen scheiding.

Tsja, die naakte Deense lijven op die houten steiger. Baarden, schaamhaar, witte benen, puistjes op de billen. „Toen ik met mijn vriend Tobias Lindholm Kollektivet schreef, was het ons voornemen alle clichés over de jaren zeventig te vermijden”, grijnst regisseur Thomas Vinterberg. „Dat is helaas niet gelukt.”

We spreken hem in Berlijn, waar Kollektivet in première gaat, een zedenschets over het communeleven anno 1975. Zelf groeide Vinterberg van zijn zevende tot zijn negentiende op in een commune. „Een krankzinnige, warme en fantastische tijd, omgeven door genitaliën, bier, academische discussies van hoog niveau, liefde en persoonlijke tragedies”, vertelde hij eerder. „Maar we hadden geen fuck room hoor!”, benadrukt hij nu. „Die fantasie hoorde ik indertijd op school: dat onze ouders er in een speciale kamer op los neukten en wij naakt rond renden.”

Je gaat op dat podium staan, laat je broek zakken, en één op de drie keer lachen ze je finaal uit

Vinterberg ervoer het communeleven juist als vrij gewoon. „In mijn straat van dertig villa’s waren zes communes, elk met hun eigen regels. Het heeft mij gevormd. Mensen bestaan uit wat ze willen laten zien en wat ze willen verbergen, maar in een commune valt weinig te verbergen. Ik denk dat ik als kind heel snel mensenkennis opdeed en de sociale wateren leerde navigeren.” Hij voelde zich er zo thuis dat hij als zestienjarige besloot in de commune te blijven toen zijn ouders uit elkaar gingen en vertrokken.

In Vinterbergs ogen is de commune dan ook geen mislukt sociaal experiment. „Het faalde niet, het ging voorbij. In de jaren tachtig kozen we voor individu en privacy, daar is ook wat voor te zeggen. Ik trouwde en begon een heel traditioneel kerngezin. Maar ik kijk nu op de commune terug als een geweldige tijd. Mijn ouders stapten er uit nieuwsgierigheid in, en het had een heel praktische kant: maar één keer per week koken, altijd iemand thuis voor de kinderen. Je moest soms inschikken, er was ruzie en drama, maar wij hadden als gezin een eigen verdieping en ik leerde dat je als groep een trauma, de dood van een kind, veel beter verwerkt.”

Dogma-beweging

Thomas Vinterberg oogt jongensachtig, maar is met zijn 46 jaar niet meer het wonderkind van de Deense cinema. In 1995 richtte hij met Lars von Trier de Dogma-beweging op, die met eenvoudige middelen film wilde maken. In beperking toonde hij zich een meester: Vinterberg regisseerde de ultieme Dogmafilm Festen in 1998. Daarna faalde hij grandioos in Hollywood met het incoherente It’s All About Love (2003). Nog altijd mijn liefste kind, zucht Vinterberg. „Jammer dat hij zulke ernstige gedragsproblemen had.”

Terug in Denemarken – „met mijn loopbaan, bankrekening en huwelijk op de klippen” – beleefde hij in 2010 een comeback met het doorvoelde sociale drama Submarino en was hij helemaal terug na het succes van Jagten (2012), over een dorpsleraar die ten onrechte van seksueel misbruik wordt beticht. Is hij gewoon niet op zijn best in klein, integer drama? „Eenvoud en authenticiteit kan een pose zijn”, denkt Vinterberg. „Dogma werd razendsnel een modeartikel, met Dogma-meubelen en zo. Maar kern was onze wens iets te maken wat oprecht en confronterend is. Voor mijn gevoel ben ik Dogma in die zin altijd trouw gebleven.”

Alcohol en de onderzeeër Koersk

Momenteel zijn twee filmplannen in vergevorderd stadium: een internationale coproductie over de ondergang van de Russische onderzeeër Koersk in 2000 en een Deense lofzang op de alcohol. „We moeten eerlijk zijn”, stelt de regisseur. „Alcohol neemt levens, maar de Tweede Wereldoorlog werd gewonnen door notoire zuiplappen, Churchill en Stalin. Denemarken drijft op alcohol, en zonder drank was de helft van de grote literatuur nooit geschreven.” In welke volgorde de projecten worden gerealiseerd, weet Vinterberg nog niet. „Maar slalommen tussen internationale coproducties, Hollywood en Denemarken is mijn patroon geworden. Bij Deense film ben ik de koning: schrijver, regisseur, auteur. Maar dan sta je ook onder grote druk, en soms is het dan fijn lid van het uitvoerend comité te zijn. Zoals in Hollywood, waar film echt groepswerk is. Mij bevalt dat wel, met mijn achtergrond in de commune.”

Zijn vader was acteur, toch hoopt Vinterberg dat zijn vier kinderen niet in het vak gaan. „Acteur zijn lijkt me afschuwelijk. Je gaat op auditie en dan maar wachten op een telefoontje. Of regisseur: je staat op dat podium, laat je broek zakken, en één op de drie keer lacht de hele zaal je uit. En daar gaf je dan twee jaar van je leven aan. Die afwijzing, brrr.”