Vroege selectie in onderwijs is het echte probleem

Dat kinderen al op hun twaalfde een schooltype moeten kiezen, is voor geen enkel kind goed, schrijven Marinka Mulder cum suis.

foto Istock

Het jaarrapport van de onderwijsinspectie heeft veel stof doen opwaaien. Terecht. De harde conclusie luidde dat veel te veel kinderen, en dan met name die van bescheidener opgeleide ouders, in het voortgezet onderwijs lager instromen dan op grond van hun capaciteiten verwacht mocht worden. Meteen laaide in de media en politiek Den Haag de discussie weer op over de Citotoets. Hoe verhoudt die zich tot het advies van hun meester of juf? Wij denken dat het zeker verstandig is om de Citotoets als onafhankelijk meetinstrument weer wat op te waarderen. Tegelijkertijd vinden wij dat het door de inspectie eveneens benoemde vraagstuk van de ‘vroege selectie’ veel urgenter om aandacht vraagt.

Nu krijgen kinderen al op twaalfjarige leeftijd een schooladvies met enorme consequenties voor hun verdere schoolloopbaan en daarmee hun toekomst. Zij worden dan al voorgesorteerd voor beroepsvormend onderwijs (mbo) of algemeen vormend onderwijs (hbo of universiteit). Die selectie valt veel te vroeg. Dat zien wij vrijwel nergens in Europa. Bovendien weten wij uit onderzoek dat het op die leeftijd nauwelijks mogelijk is om valide voorspellingen te doen over iemands leercapaciteiten.

De vroege selectie is voor geen enkel kind goed, maar extra nadelig voor kinderen met achterstanden. Niet alle ouders zijn in staat hun kinderen te helpen of bijlessen te bekostigen, opdat hun kinderen een zo hoog mogelijk advies krijgen. Kinderen die wél voldoende talent hebben maar van thuis niet veel (extra’s) meekrijgen, hebben gewoon meer tijd nodig om te ontdekken welk schooltype het beste bij hen past. Die extra tijd is overigens ook goed voor kinderen van hoger opgeleiden, die onder druk van hun ouders soms te hoog inzetten en dan moeten ‘afstromen’ naar een lager niveau, wat hun zelfvertrouwen en leerplezier niet ten goede komt.

Het verschil in verblijfsduur op de middelbare school draagt evenmin bij aan gelijke kansen. Waarom gaan kinderen zes jaar naar het vwo, vijf jaar naar het havo en vier jaar naar het vmbo? Zijn leerlingen in de beroepsgerichte leerwegen eerder volwaardige en redzame burgers? Hebben vwo-leerlingen de meeste zorg en aandacht nodig om uiteindelijk hun weg te vinden? Nee, natuurlijk niet. Het onderscheid komt voort uit de hoeveelheid leerstof die vwo-leerlingen tot zich moeten nemen. Daar is nu eenmaal meer tijd voor nodig, met als bijkomend voordeel dat ze ook meer tijd hebben om zich te ontplooien en uit te groeien tot verantwoordelijke burgers. Vmbo-leerlingen zouden we dat ook moeten gunnen.

In de ideale school zou het niet moeten uitmaken door welke deur leerlingen naar binnen komen; het gaat erom dat ze door de goede deur naar buiten stappen. Met een diploma dat past bij hun belangstelling en hun talent. De trend is echter een andere. Categorale gymnasia, vwo’s, havo’s en zelfs mavo’s schieten als paddenstoelen uit de grond. Brede scholen met meerjarige brugklassen, die het beste wapen vormen tegen de nadelen van de vroege selectie, zien hun leerlingenaantallen dalen.

Dat is slecht voor de kinderen, die niet goed worden bediend, en voor de samenleving. Het leidt tot verspilling van talent, maar ook tot segregatie. Veel ouders zijn bang dat het talent van hun kind niet voldoende tot zijn recht komt in een brede brugklas. Het liefst zien zij hun kind zo snel mogelijk op het havo of het vwo. Uit alle onderzoek en ook uit buitenlandse ervaringen blijkt het tegendeel. Want zwakkere kinderen trekken zich over het algemeen op aan sterkere, die daar zelf niet minder om presteren.

De afgelopen dagen is van veel kanten bepleit de meerjarige brede brugklas weer in ere te herstellen en de categorale scholen een halt toe te roepen. Dat gaat niet vanzelf. Daar moet de politiek stevig op sturen.

Wij bepleiten allereerst dat de verblijfsduur in het vmbo wordt verlengd naar vijf jaar. Bovendien willen wij dat de brede brugklas (drie jaar) weer de standaard wordt, opdat leerlingen voldoende tijd en gelegenheid krijgen om te beoordelen welk schooltype het beste bij hun belangstelling en mogelijkheden past. Daar hoort ook bij dat basisscholen nog uitsluitend een gemengd advies afgeven. Bijvoorbeeld mavo/havo of havo/vwo. Als dat gebeurt gaat de Citotoets weer doen waarvoor hij is bedoeld, namelijk een richtinggevend advies afgeven, in plaats van een onverbiddelijke scherprechter zijn.

Hiervoor zijn óf regelgeving óf financiële prikkels nodig, waarbij scholen die een driejarige brugperiode aanbieden in de bekostiging aanzienlijk worden bevoordeeld ten opzichte van de scholen die dat niet doen. Als de politiek geen heldere keuze durft te maken, is het wachten op nieuwe rapporten over segregatie in het onderwijs. Wie dan net zo schrikt als de afgelopen week, kan terecht krokodillentranen worden verweten.