Na twee zomers vol gedoe is het weer rustig in Den Haag

Antiradicaliseringsbeleid Den Haag is de stad met de meeste Syriëgangers. Maar de problemen zijn verminderd. Vooral het oppakken van jihadisten had een „afschrikwekkende werking”.

In de Haagse Schilderswijk is volgens de gemeente de rust weergekeerd, door doelbewust beleid om fanatieke jihadi’s en meelopers te scheiden. Rechts een vergadering in hetbuurtcentrum Samsom. Foto’s Floren van Olden

‘Shit, ik ben er ingeluisd.” Een jongen sprint naar de hoek van het buurtcentrum als een politieagent binnenkomt. „Hij komt me aanhouden!” De agent schudt lachend zijn hoofd. „Ik ben hier vanavond niet om mensen aan te houden”, zegt hij. „Ik ben hier om te praten.”

Tientallen jongens en vaders zijn vanavond naar buurthuis Samson in de Haagse Schilderswijk gekomen om te praten over recente terreuraanslagen. Die hebben veel losgemaakt bij de jongeren. Ze vinden het erg wat in Brussel is gebeurd, zeggen ze, maar ze constateren ook dat er nauwelijks aandacht is voor de aanslagen in Turkije. „Die hele oorlog is veroorzaakt doordat het Westen bommen gooit op het Midden-Oosten”, zegt Mohammed Ghay (29). „Maar na zo’n aanslag wordt de islam er weer op aangekeken.”

Wat moeten de jongeren doen, om te zorgen dat zij niet worden geassocieerd met terrorisme? Harder werken en trots zijn, zeggen de vaders. De jongeren protesteren: waarom zouden zij harder moeten werken dan autochtone Nederlanders?

„Wat nou als ik er trots op ben om tot twee uur ’s middags te slapen?”

Van alle steden in Nederland telt Den Haag de meeste Syriëgangers. Ongeveer een kwart van de Nederlandse jihadisten komt uit Den Haag. Vooral de Schilderswijk trok de afgelopen jaren de aandacht wegens demonstraties van jongeren die met Al-Qaeda-vlaggen zwaaiden en dagenlange rellen waarbij auto’s in brand werden gestoken.

Tegen die achtergrond is het er de laatste tijd opvallend rustig. In Den Haag vinden sinds afgelopen zomer geen rellen meer plaats, geen jihadistische demonstraties en, volgens cijfers die gisteravond aan de gemeenteraad zijn verstuurd, vertrekken er ook minder Syriëgangers. Is het schijn, of is er wezenlijk iets veranderd in Den Haag?

De harde aanpak

Maarten van Mierlo, wijkagent in de Schilderswijk, denkt dat er écht iets is veranderd, zegt hij op de bijeenkomst in het buurthuis. Hij merkte het al tijdens de jaarwisseling, waarbij de hele wijk volgens hem samenwerkte om rellen te voorkomen. „Na twee zomers vol shit was dat mooi om te zien”, zegt Van Mierlo. „De rust lijkt teruggekeerd.” De jongeren in het buurthuis beamen dit. Er heeft een omslag plaatsgevonden in hun stad, zeggen ze. De sfeer is meer open: zaken als Syrië en jihad, die eerst in de taboesfeer bleven, zijn bespreekbaar geworden. Ouders van Syriëgangers blijven niet meer uit schaamte thuis zitten, maar praten met buurtgenoten over hun verdriet. Ook de gemeente Den Haag constateert dat de problemen met radicalisering afnemen.

Hoe kan dat?

De Haagse radicaliseringsaanpak bevat een combinatie van ‘harde’ en ‘zachte’ maatregelen. Hard voor vergaand geradicaliseerde jongeren, zacht voor de ‘meelopers’. En dat blijkt te werken, zegt de gemeente.

De harde aanpak was afgelopen jaar het duidelijkst zichtbaar in de aanhouding en veroordeling van een groep ronselaars en opruiers. Het gezicht van die groep, Azzedine C., werd in december veroordeeld tot zes jaar cel; andere kernfiguren kregen ook forse celstraffen.

De tientallen meelopers van die groep worden door de gemeente beschouwd als kwetsbare jongeren die met wat hulp kunnen worden losgeweekt uit het jihadistische milieu. Zij krijgen gesprekken met hulpverleners die hen helpen bij het wegwerken van schulden en het herstellen van de band met hun ouders. Jongerenwerkers gaan met hen op zoek naar werk, leerplichtambtenaren proberen hen weer naar school te krijgen.

Het resultaat is dat het jihadistische netwerk uit elkaar is gevallen, zegt de gemeente. Nog slechts een klein aantal jongeren sympathiseert met de jihad en isoleert zich van de samenleving, de rest heeft studie of werk opgepakt, draait weer volledig mee in de maatschappij of volgt hulpverleningstrajecten. Ook is een aantal jongeren in de criminaliteit beland, maar die houden zich niet meer actief bezig met het extremisme.

Het is de vraag in hoeverre dit te danken is aan het Haagse antiradicaliseringsbeleid, omdat dit beleid er ook was toen het jihadnetwerk juist groeide. De gemeente wijst erop dat de aanpak sindsdien is geïntensiveerd, en denkt dat met name het oppakken van de radicale kernleden een „afschrikwekkende werking” heeft gehad. Er is ondertussen geen nieuwe groep ronselaars en opruiers opgestaan in Den Haag.

De zachte aanpak

Om te zorgen dat dit zo blijft, probeert de gemeente de moslimgemeenschap te stimuleren om zélf extremisme te bestrijden. Het ondersteunen van een jongerenavond zoals in buurthuis Samson, is een voorbeeld van die preventieve aanpak. Jongeren moeten kunnen praten over hun gevoelens die ze hebben na een aanslag, zegt organisator Mohamed El Khadir van de welzijnsstichting NextProjecten.

Door erover te praten, voorkom je dat jongeren hun frustraties opkroppen en zich gaan afzonderen van de samenleving, zegt El Khadir. En zo kan een discussieavond een voedingsbodem van radicalisering helpen weg te nemen.

Onderdeel van het antiradicaliseringsbeleid zijn ook de gastlessen die Samira Bouchibti geeft op verschillende Haagse scholen. Het voormalig PvdA-Tweede Kamerlid laat leerlingen nadenken over thema’s als grondrechten, identiteit en polarisatie. Deze maandagochtend staat ze voor eersteklassers van een roc met veel leerlingen uit de Schilderswijk.

Bouchibti begint haar les door uit te leggen dat iedereen in Nederland gelijk is, en dat er hier vrijheid van meningsuiting is. Wat vindt de klas daarvan? Een jongen is er wel blij mee, omdat hij hierdoor politieagenten kan uitmaken voor ‘ezel’ of ‘mongool’. Mag dat dan, vraagt Bouchibti. De jongen: „Ja, ik mag tegen een agent zeggen: ik vind jou een ezel. Tuurlijk mag ik dat zeggen. Is mijn mening toch. Vrijheid van meningsuiting.”

‘Minder-Marokkanen’

Kun je dan álles zeggen in Nederland? „Nee”, zegt een jongen in een Adidas-trainingspak. „Niet als je racistisch bent.” Wat is racistisch? „Als je een opmerking maakt over het geloof.” Is dat racistisch? „Tuurlijk.”

Ook de ‘minder Marokkanen’-uitspraak van Wilders wordt door de leerlingen als kwetsend of racistisch ervaren. Waarom, wil Bouchibti weten, voelen ze zich gekwetst door Wilders? „Hij wil laten zien dat hij meer te zeggen heeft dan wij”, zegt een leerling.

„Wilders mag zeggen wat hij wil, wij niet.”

Voelen zij zichzelf eigenlijk wel Nederlander? De jongen in het Adidas-trainingspak zegt van niet, hij voelt zich „100 procent Marokkaans”. Hij gaat immers „alleen maar met Marokkanen om”. Bouchibti: „Jij kijkt voetbal met Marokkanen, gaat naar de moskee met Marokkanen, naar de Marokkaanse bakker, de Marokkaanse slager. Je leeft in één kring. Maar dat is niet de hele samenleving, onze samenleving is gekleurd. Als je straks stage gaat lopen of gaat werken, zul je met iedereen om moeten gaan.”

PVV-aanhang

Angelo, docent en coördinator op dit roc, merkt dat zijn leerlingen positief reageren op de gastlessen, die sinds 2014 worden gegeven met subsidie uit het antiradicaliseringsbudget van de gemeente.

Veel leerlingen maken zich druk over discriminatie en vooroordelen, zegt Angelo, maar ze komen er tijdens de lessen achter dat zij zelf ook vooroordelen hebben.

Hij sprak leerlingen die denken dat Joden de wereld besturen, maar zelf nooit een Jood hadden gesproken. Leerlingen die niet in de Haagse wijk Duindorp durven te komen, omdat zij in de media hebben gelezen dat daar veel PVV-aanhangers wonen. „Ze zijn heel beperkt in hun denkbeelden”, zegt Angelo.

„Sommigen denken echt dat de Schilderswijk het middelpunt van het heelal is. Ze stappen daar op de tram, stappen uit bij school en weer op de tram naar huis om te eten en naar de moskee te gaan. Dat is hun wereld.”

In de ‘identiteitslessen’ probeert het roc de leerlingen duidelijk te maken dat er naast de heersende opvattingen in eigen kring ook andere meningen zijn. Dat kan bijdragen aan wederzijds begrip en maakt leerlingen weerbaarder tegen extreme ideologieën, is de gedachte.

Bouchibti zegt dat ze leerlingen vooral leert nadenken: „De imam of je vader of je vrienden zeggen iets, maar er zijn ook mensen die daar anders over denken. En wat vind jij er zélf van?”